De Heerlijkheid Heeze-Leende-Zesgehuchten door de eeuwen heen

Heemkronijk jaar:1986, jaargang:25, jubileumnummer, pag:114 -131

DE HEERLIJKHEID HEEZE-LEENDE- ZESGEHUCHTEN DOOR DE EEUWEN HEEN

door: Drs. J.C.G.W. Coenen

De heerlijkheid Heeze, Leende en Zesgehuchten was een van de belangrijkste heerlijkheden binnen het kwartier van Peelland in de Meierij van ’s-Hertogenbosch. In een 12de eeuwse akte wordt ene Herbertus vermeld, die zich dominus de Hese noemt. Uit de aanhef van de akte valt op te maken dat Herbertus meent dat hij zich op God kan beroepen voor wat betreft zijn macht, want voor zijn titel dominus de Hese staat Dei gratia. De titulatuur geeft aan dat Herbertus van Heeze heer was in een zogenaamde allodiale heerlijkheid. Allodiale heerlijkheden waren vrij eigendom en dat was in Peelland iets bijzonders, want de meeste heerlijkheden waren feodale heerlijkheden, die in leen werden gehouden van de hertog van Brabant.

I OMVANG VAN DE HEERLIJKHEID

Hoe groot de 12de eeuwse heerlijkheid Heeze was, valt niet met zekerheid te zeggen, aangezien daar weinig eigentijdse documenten van bestaan. In 1172 droeg Herbertus van Heeze zijn allodium Sterksel over aan Otto, de aartsdiaken van Luik, ten behoeve van de abdij van Averbode. Volgens Camps, de samensteiler van het oorkondenboek van Noord-Brabant, is de akte echter een vervalsing. Zijns inziens vond de werkelijke overdracht pas in 1197 plaats (1). De titel Dei gratia zou wijzen op een vervalsing, gemaakt in de hertogelijke kanselarij; daar was het immers de gewoonte keizers, koningen en landsheren als zodanig aan te duiden. In 1197 is er bij de verkoop van Sterksel dan ook alleen maar sprake van Herbertus dominus de Hese in plaats van dei gratia dominus de Hese.

In een concept akte van 1203 over de Eninge van de Kempen (2) verklaarden hertog Hendrik I van Brabant en hertog Otto I van Gelre, dat zij gelijkberechtigd zijn op het huis van Heeze, maar ook deze akte is twijfelachtig, omdat uit niets valt op te maken of het hier werkelijk Heeze bij Leende betreft. Heeze was op dat moment een allodiale heerlijkheid. We weten echter nog steeds niet hoe groot dit gebied was, want alleen de afsplitsing van Sterksel is bekend, terwijl Leende en Zesgehuchten nog niet werden vermeld.

In 1223 wordt Reinard van Heeze, de heer van Heeze vermeld als leenman van Dirk van Altena voor wat betreft het landgoed Heugten (3). Vermoedelijk werd deze Dirk van Altena omstreeks die tijd heer van Heeze, waarna de heerlijkheid in erfenis overging aan Willem van Horne.

In 1285 droeg Willem, heer van Horne en Altena, de patronaatsrechten over de kerken van Heeze en Leende over aan het praemonstratenser klooster Keizerbosch bij Neer in Limburg (4). Uit die akte blijkt dat Leende behoorde tot de heerlijkheid Heeze en dat de heer de patronaatsrechten had. De kerken van Heeze en Leende waren dus eigenkerken van de heer. Het is opvallend dat de heer van Heeze de patronaatsrechten niet in alle drie de dorpen van de heerlijkheid uitoefende. De vraag komt dan op of Zesgehuchten wel tot de heerlijkheid hoorde, aangezien dit gebied parochieel deel uitmaakte van Geldrop. Bovendien was het Tiendrecht van Zesgehuchten in handen van de heer van Geldrop. Zekerheid daarover is pas te krijgen aan het einde van de 13de eeuw, als een hoeve in het Zesgehuchtense gehucht Riel wordt overgedragen aan de Tafel van de Heilige Geest te ’s-Hertogenbosch (5). Het betreft hier de eerste vermelding van de parochie Geldrop en van één van de zes gehuchten, maar van een relatie met Heeze blijkt pas in het eerste kwart van de 14de eeuw, als de gehuchten worden gerekend tot de parochie van Geldrop en het gerecht of de dingbank van Heeze. Dat Geldrop omstreeks 1200 ook een deel was van de heerlijkheid Heeze wordt vaker verondersteld, maar is niet te bewijzen. De omvang van de heerlijkheid Heeze is pas tijdens de 14e eeuw vast te stellen. Het gebied bestaat dan uit Heeze, Leende en de zes gehuchten: Genoenhuis, Gijzenrooij, Hoog Geldrop, Hout, Hulst en Riel, die gerekend worden tot de toebehoorten van Heeze.

ll DE HEREN VAN HEEZE

Het geslacht van Horne was erg invloedrijk. Gerard van Horne, de heer van Heeze, huwde in 1302 met Johanna van Leuven alias van Gaasbeek, een nakomelinge van hertog Hendrik I van Brabant. Omstreeks 1316 hertrouwde hij met Irmgard van Kleef, de zuster van graaf Dirk van Kleef.

Gerard van Horne werd als heer van Heeze opgevolgd door Willem van Horne. Hij erfde van zijn nicht Beatrix van Leuven de heerlijkheden Gaasbeek, Herstal, Montcornet en Baucignie. Die heerlijkheden hield Beatrix van Leuven in leen van de hertog van Brabant. Om deze gebiedsuitbreiding te mogen aanvaarden moest Willem van Horne op 13 januari 1334 te Brussel zijn allodiale heerlijkheid Heeze-Leende opdragen aan de hertog van Brabant om die als Brabants leen, volgens Brabants recht, te mogen terug ontvangens (6).

Door deze overdracht was Heeze een feodale heerlijkheid geworden, leenroerig aan de hertogen van Brabant. Toch waren er beperkingen ten aanzien van de leenverhouding, want gewoonlijk bestaat de commendatio -het contract dat de vazal of leenman sloot met zijn leenheer uit hulde en trouw, maar in het geval van Heeze was er alleen sprake van manschap ofwel hulde. De heer van Heeze behoefde bij een leenverheffing dus geen trouw te beloven aan de hertog van Brabant.

Voor de Van Homes was Heeze echter één van de vele heerlijkheden. Gaasbeek was veel belangrijker en gedurende de 14de en 15de eeuw kwamen er nog andere heerlijkheden bij door vererving en huwelijk. In 1462 kocht Philip van Horne, heer van Heeze en Leende, de naburige heerlijkheid Geldrop van Arnt van Goer, echtgenoot van Jutte van Geldrop. Het patronaatsrecht over de kerk van Geldrop droeg hij over aan de Landcommanderie van Aldenbiesen (nabij Tongeren in België). Gedurende ruim een eeuw waren de heerlijkheden Heeze en Geldrop in handen van één en dezelfde heer. Die heer woonde overigens noch in Heeze, noch in Geldrop. In de meeste akten wordt hij -naar zijn woonplaats- de heer van Gaasbeek genoemd. Aan het begin van de 16de eeuw vestigde de heer Van Horne zich op het kasteel te Braine-Ie-Chateau (7). In de kerk aldaar treft men nu nog een prachtig grafmonument aan van één van de Van Hornes.

Het kasteel van Heeze verviel geleidelijk, omdat het niet werd bewoond. Hoe het er precies heeft uitgezien is alleen bekend van 15de eeuwse beschrijvingen. In het Bossche Strickgrefier staat als vroeg 15e eeuwse vermelding: eender hofstadt mitten huysen ende boomen daer op staende ende den graven daerom gaende, mitter weyden ende eenen cleynen bosschelken daer achter aenliggende gheheyten thuys van Emerick (8).

In het denombrement dat Philip van Hoorne liet maken in 1440 staat het kasteel als ene hofstadt mitten huysen ende banen daerop staende ende den graven dairom gaende, mitter weyden ende enen cleynen bosschelken daerachteraen Iiggende, geheiten thuijs van Emerick (9).

Het eerder genoemde leenregister en het denombrement van 1440 bevatten de eerste opsommingen van de heerlijke rechten. Philip van Hoorne wist in 1440 amper welke rechten hij bezat. Een vergelijking met het onwillig decreet van 1659 (10), (toen de heerlijkheid werd verkocht door de schuldeisers van de graaf van Warfuze, heer van Heeze, aan  Albert, baron Snoekaert van Schaumburg), leert ons dat steeds meer rechten omschreven moesten worden om problemen voor de toekomst te voorkomen, terwijl andere rechten, die te maken hadden met de horigheid geleidelijk verdwenen. lk denk daarbij bijvoorbeeld aan de keurmede, het recht om uit de nalatenschap van de horigen het beste stuk te nemen. Dat werd in 1659 niet meer vermeld.

Ill RECHTEN EN BEZITTINGEN

Als we het denombrement van 1440 en het onwillig decreet van 1659 als bron nemen voor wat betreft de rechten van de heer dan kunnen we onderscheid maken tussen een drietal groepen:

1 onroerende bezittingen

2 bestuur en rechtspraak

3 heerlijke rechten

III (1) ONROERENDE BEZITTINGEN

Het lijkt misschien vreemd om de onroerende bezittingen tot de heerlijke rechten te rekenen, maar het bezit van de heidegronden en molens was zo nauw verwant aan die rechten, dat die keuze gerechtvaardigd is.

Het kasteel, met de daartoe behorende landerijen, vormde het belangrijkste bezit van de heer van Heeze. Het was op een strategische plaats gebouwd in het Dommeldal. Aan beide zijden stroomden riviertjes, die ten noorden van het gebouw samenvloeiden. Binnen die rivierjes waren grachten aangelegd ter bescherming van het bouwwerk. De ligging van de landerijen nabij de rivier was bepalend voor het gebruik daarvan, de drassige grond was immers ongeschikt voor akkerbouw, zodat de velden benut werden als weidegrond of hooiland. Veel weilanden tussen het kasteel en de huidige Kapelstraat waren van de heer, terwijl we de indruk krijgen dat de overige weiden belast waren met de Vrouwen-hoevepacht. Deze pacht moest op Onze Lieve Vrouwendag Nativitatis (8 september) worden betaald. Vermoedelijk betreft het hier een uitgifte van voormalige heerlijke gronden aan de bewoners tegen een erfpacht.

Ook enkele beemden bij het kasteel werden beschikbaar gesteld voor het laten grazen van vee. Dit werd aangeduid met de term het scharen van beemden. Meestal werd er bij het scharen rekening gehouden met de ouderdom van het vee, ofwel met de volledigheid van het gebit van de koeien.

Het middeleeuwse kasteel raakte in de 15de en 16de eeuw in verval. Na de verkoop van de heerlijkheid in 1659 aan baron Snoekaert van Schaumburg werden er plannen ontwikkeld om een nieuw kasteel te bouwen. De bekende architect Pieter Post ontwlerp een groots gebouw,  maar zijn opzet bleek onbetaalbaar te zijn voor de heer.

Alleen de voorgebouwen zijn verwezenlijkt, terwijl de overige delen van het oude huis Eimerick werden opgeknapt, zodat het middel-eeuwse kasteel niet geheel verdween. In de loop van de 18de eeuw liet baron D’Holbach paardenstallen bouwen op het binnenplein, waardoor een mengelmoes van bouwstijlen het karakter van het kasteel gingen bepalen.

Behalve het kasteel bezat de heer van Heeze weinig huizen of boerderijen. In de Meel lag een hoeve, die al vanaf de 15de eeuw deel uitmaakte van het bezit van de heerlijkheid. Deze werd verpacht aan de meestbiedende. Nabij die hoeve had de heer enkele bouwlanden, weilanden en heidevelden, die gebruikt werden door de pachter. Tijdens de land bouwcrisis in de jaren dertig van de 18de eeuw breidde de heer van Heeze zijn bezit in de Meel uit door heel goedkoop gronden aan te kopen, die bij executie moesten worden geveild (11). De hoeve in de  Meel werd pas aan het begin van deze eeuw gesloopt (12). Het was een grote hoeve met wanden van vlechtwerk, dat met leem was besmeerd.

De omgeving van de hoeve in de Meel, die gerekend werd tot het gehucht Creijel, was zeer bosrijk. De heer van Heeze had reeds in de 16de eeuw een uitstrekt bosbezit tussen Creijel en Geldrop, maar ook elders in Heeze bezat hij bossen.

Een nog omvangrijker bezit betrof de heidegrond. In de meeste heerlijkheden en hertogsdorpen werd de heide of de woeste grond in de loop van de 14de of 15de eeuw aan de inwoners uitgegeven door de heer of door de hertog van Brabant. In Geldrop vond die transactie plaats in 1377 (13). De Geldroppenaren betaalden 60 gouden mottoenen aan de heer in ruil voor het gebruik van de heide, die vanaf die tijd gemene grond werd. Na de afschaffing van de heeriijke rechten in 1798 verviel de gemene grond aan de gemeente. In Heeze is dat niet gebeurd. De heer verpachtte om de tien jaren de heide aan de inwoners van Heeze, Leende en Zesgehuchten (14). Voor elk dorp stelde hij een apart contract op. Hij had zodoende inkomsten uit de woeste gronden, maar het werden geen gemene gronden. Dat wil dus zeggen dat de heer, na de afschaffing van de heerlijke rechten, zich nog steeds eigenaar mocht noemen van de heidegronden, want hij had ze nooit tegen een cijns uitgegeven.

Anders was dat met de cijnsgoederen binnen zijn gebied. Gehuchten als Oisterik in Leende, de Ven in Heeze en Hulst, Riel en Genoenhuis hadden eigen cijnsgronden. De bewoners van de gehuchten betaalden een soort erkenningsgeld voor het gebruik van deze gronden. Na 1798 werd die grond hun bezit. Een heel bijzondere status had de gemene grond van Hulst. Of die afkomstig is van de heer van Heeze valt te betwijfelen, aangezien de landerijen niet alleen in Hulst lagen, maar tevens in Geldrop en Nuenen. Over de Nuenense landerijen betaalden de boeren al in de 14de eeuw een cijns aan de hertog van Brabant, zodat het er op lijkt alsof deze grond afkomstig is van de hertog en niet van de heer (15). Ook elders in Heeze lagen percelen die cijnsplichtig waren aan de heer. Misschien zijn het gronden geweest die de heer in gebruik heeft gegeven aan vrije of horige Heezenaren. Hoe dat precies zit, is moeilijk te achterhalen, aangezien de uitgifte van de cijns niet meer bekend is, met uitzondering van enkele nieuwe cijnsgoederen aan de rand van de heide. Zo waren de Paassense Hut en de Aalsterhut gebouwd in de heide van de heer langs de postbanen. De eigenaar van de hut moest een nieuwe uitgiftecijns betalen aan de heer ter erkenning van de rechten van de heer. Datzelfde gold ook voor de stichting van het gehucht Putten in de 17de eeuw (16).

Binnen de heidevelden en woeste gronden lagen ook percelen die geschikt waren voor de winning van turf. Bij de tienjaarlijkse verpachting van de woeste grond hoorde ook het recht om in de vennen, moerassen of de rivierdalen turf te mogen steken. Een heel bijzondere positie hadden de kloosterlingen van Mariënhage onder Woensel. In 1419 hadden zij van Jan van Schoonvorst, de heer van Cranendonk en Eindhoven, een erfrente gekregen van 100 voeder turf die zij alle jaer mogen doen steken of maken op onse moere off venne genaamt het Huijsvenne bijden galgbergh en aander heijde van Strathum gelegen sonder ijmant te vragen en wederseggen. Met welk recht de heer van Eindhoven turf mocht steken in het Huisven is niet bekend. Mogelijk hield het verband met een schuldbekemenis van de Van Hornes aan Van Schoonvorst. In 1632 bestreed de graaf van Warfuze het recht van de kloosterlingen om in het Huisven turf te steken, maar met de stichtingsakte van het klooster van 1419 konden zij hun oude rechten bewijzen, zodat zij ongestoord - tot aan de opheffing van het klooster - mochten turfsteken (17). De heer van Heeze bezat bovendien water- en windmolens te Heeze en Leende. Aangezien de heer het molen- of windrecht had, kon geen ander een molen in de heerlijkheid oprichten. Het belang van de watermolens kan niet groot zijn geweest, omdat het verval van de Aa te gering was. Hoelang de watermolens hebben bestaan en waar ze precies stonden, is niet altijd bekend. De oudste leenboeken van de leen- en laathof van Heeze maken melding van een watermolen, die eertijds stond op Strabrecht. Maar hoelang dat eertijds geleden is, valt moeilijk te achterhalen (18), echter het feit dat de molen niet vermeld wordt in het plakkaat van keizer Karel V van 1545 doet vermoeden dat de molen toen niet meer bestond.

De watermolen van Leende daarentegen komt voor in het onwillig decreet van 1659 als eenen schoonen watermolen wesende in seer goeden staet. Dat de windmolen van Leende niet in die akte voorkomt, hield vermoedelijk verband met de slechte staat van die molen. De windmolen van Heeze werd vermeld als eenen seer schoonen molen van nieuws opgemaeckt. Deze molen brandde in 1651 af (19).

Inkomsten. Behalve de onroerende goederen had de heer ook inkomsten uit erfrenten en erfpachten. Deze werden in geld of in natura betaald uit onderpanden. Het waren een soort hypotheken.

III (2) BESTUUR EN RECHTSPRAAK

De organisatie van het bestuur van de heerlijkheid was nogal ingewikkeld, omdat bestuur en rechtspraak niet gescheiden waren en omdat de heerlijkheid uit drie afzonderlijke dorpen bestond.

Zodoende hebben we te maken met een schepenbank, waarin zeven schepenen zitting hadden, waarvan er drie afkomstig waren uit Heeze, twee uit Leende en twee uit Zesgehuchten.

Daarnaast hield elk dorp zijn eigen dorpsadministratie bij. Het bestuur van die dorpen bestond naast de schepenen uit borgemeesters, die de financiën beheerden, kerkmeesters en armmeesters. Het aantal borgemeesters was afhankelijk van de omvang van het dorp.

Aanvankelijk had Heeze zes borgemeesters, later werden er dat drie, Leende had twee borgemeesters en Zesgehuchten had er aanvankelijk ook twee, maar dat aantal werd in de 18de eeuw verminderd tot een.

In het corpus van Heeze en Leende hadden twee kerkmeesters zitting. Voor Zesgehuchten was die situatie ingewikkelder, omdat het geen eigen parochiekerk had. In de 17de eeuw werd regelmatig een Zesgehuchtenaar als derde kerkmeester toegevoegd aan het corpus van Geldrop, maar geleidelijk kwam dat te vervallen. Ook voor wat betreft het aantal armmeesters vormt Zesgehuchten een uitzondering, aangezien het dorp een armbestuur had samen met Geldrop. Heeze en Leende daarentegen hadden een eigen armbestuur of Tafel van de Heilige Geest.

De administratie van de dorpen werd bijgehouden door een secretaris, die in alle drie de dorpen zijn functie uitoefende. Ook de schout werd -als plaatsvervanger van de heer- benoemd voor het hele rechtsgebied van de heerlijkheid.

De heer van Heeze had het recht om de schout en de secretaris aan te stellen. Ofschoon er geen sprake was van een direkte verkoop van het ambt, moesten de schout en de secretaris toch een recognitie aan de heer betalen voor het ambt, zodat de heer bovenop dit recht nog inkomsten genoot bij het benoemen van deze ambtenaren.

Sinds de Politieke Reformatie in de tweede helft van de 17de eeuw moesten de schout en de secretaris van de Gereformeerde religie zijn. De heer behield het benoemingsrecht, maar werd in zijn keuze beperkt door de invloed van de Staten-Generaal.

Ook het vorsterambt werd door de heer vergeven. De vorster was een gerechtsdienaar voor de schepenbank. Blijkbaar betaalde ook hij een recognitie voor zijn ambt, want in 1440 werd de vorsterij geschat op twelff clinckarts (20).

De borgemeesters werden door de heer benoemd na voordracht van de schepenbank. De schepenen maakten daarvoor een lijstje met de namen van grondbezittende, belastingbetalende inwoners, van wie zij per functie twee namen op de voordracht plaatsten, zodat de heer de uiteindelijke keuze maakte. Als de heer echter buiten Heeze woonde, zoals dat vaak het geval was, wist hij natuurlijk niet voor wie hij koos. In een begeleidend briefje gaven de schepenen hun voorkeur te kennen bij de voordracht, zodat het benoemingsrecht van de heer niet meer dan een formaliteit was. In het recht om kerk- en armmeesters te benoemen kwam een verandering in de 17de eeuw, toen de predikanten medezeggenschap opeisten hij de benoeming van kerkmeesters en armmeesters.

De invloed van de heer op het dorpsbestuur werd in de tweede helft van de 17de eeuw beperkt tot een formaliteit en enige inkomsten, maar van een werkelijke macht was geen spake meer.

Rechtspraak en bestuur waren tijdens het Ancien Régime sterk verweven. De schepenen waren zodoende naast dorpsbestuurders tevens rechter en notaris, aangezien zij de bevoegdheid hadden om die taken uit te oefenen. Ten overstaan van de schepenen kon grond worden verkocht, een huwelijk worden aangegaan, een testament worden gemaakt of een ruzie met de buren worden beslecht. Hoe ver de bevoegdheid in de rechtspraak zich uitstrekte was afhankelijk van de jurisdictie van de heer binnen de heerlijkheid. De heer van Heeze had hoge, middelbare en Iage jurisdictie in zijn heerlijkheid. Hij kon dus zelfs beschikken over leven en dood. De boete, die opgelegd werd aan een misdadiger, kwam meestal ten goede aan de heer. In de keuren en breuken had hij dat precies vastgelegd. In het denombrement van 1440 wordt het omschreven als: Item hebbe ick dair alle manieren van broicken ende fourfeijten als dootslach, vredebraecke, scake, vrouwencracht, moordt, quetsueren, mestrecken met vuijsten oft met staken te slaen ende andere diverssche koere ende broecken nae mijne voors banckrechte diemen heeft als die gevallen.

III (3) HEERLIJKE RECHTEN

De heer van Heeze had diverse rechten over zijn grondgebied en over de bewoners daarvan. Hij kon verplichtingen opleggen, belastingen eisen, goederen innemen en diensten verlangen. Tot de heerlijkheid Heeze-Leende-Zesgehuchten behoorden een groot aantal rechten, die omschreven staan in het denombrement van 1440 en in het onwillig decreet van 1659.  

Jachtrecht. In 1440 wordt het jachtrecht omschreven als de warande, die een waarde zou hebben van ongeveer tweehonderd konijnen. In 1659 is er voor Heeze en Leende sprake van de vrije warande, jacht en visscherie, terwijl voor Zesgehuchten wordt geschreven over de jacht soo van hasen, conijnen, patrijsen ende ander wilt. Dit suggereert, dat het jachtrecht in Zesgehuchten beperkter was dan dat in Heeze en Leende. Uiteindelijk leidde dat in 1904 tot een groot proces tussen de heer van Heeze en de vrouwe van Geldrop over het jachtrecht in Zesgehuchten (21).  

Visrecht. Het visrecht in de Dommel en de Aa was in de Middeleeuwen verpacht, meestal van watermolen tot watermolen of van brug tot brug. Vaak waren die rechten in handen van particulieren, maar in Heeze behoorden de visrechten tot de heerlijke rechten. Het visrecht was echter niet beperkt tot de Dommel, de heer reserveerde ook het visrecht in de zogenaamde wijers. In het denombrement van 1440 worden er twee vermeld. Nabij de Meel lag zo’n wijer. Het visrecht of de visscherie werd vermeld in vrijwel alle documenten, waarin de rechten werden opgesomd. Ook nu weer is het opvallend dat het onwillig decreet van 1659 voor Heeze en Leende wel het visrecht noemt en voor Zesgehuchten niet. Uiteindelijk grensden de gehuchten Hout en Hulst ook aan de Kleine Domrnel en was het Groot Huisven rijk aan vissen. Blijkbaar waren de visrechten te Zesgehuchten niet in handen van de heer, want het visrecht op Hulst was van particulieren.  

Tolrecht. Het weggeld en de tol op de wegen in het dorp werden geind in opdracht van de heer. De opbrengst van het weggeld werd in 1440 geschat op 6 Arnoldus gulden. Aan de hand van 18de eeuwse contracten is er iets meer bekend over de inning van het weggeld. De heer verpachtte het voor een gering bedrag aan één van de inwoners. Bij de bouw van de Aalsterhut in 1717 moesten Hendrik Stoffels, Isaac Verhees en Hendrik Verbraeken beloven dat zij de inning van het weggeld op de route Eindhoven-Luik zouden pachten (22). De pacht was echter niet hoog, zodat het vermoeden rijst dat het recht van weggeld geen al te grote bron van inkomsten is geweest.  

Windrecht. We zagen reeds dat de heer de water- en windmolens van de heerlijkheid bezat. Hij had het windrecht, zodat niemand in zijn rechtsgebied een molen kon oprichten zonder toestemming van de heer. Dat bleek toen de Staten-Generaal in 1717 dachten, dat zij toestemming konden verlenen om een windmolen te bouwen op Zesgehuchten (23). Meindersma en velen die hem overschreven, menen dat die molen er ook is gekomen, maar dat is onjuist. De heer heeft zijn windrecht bewezen. Pas na de afschaffing van de heerlijke rechten hebben enkele Geldropse fabrikeurs het initiatief genomen om op Zesgehuchten een windmolen te bouwen (24). Toen was het niet meer nodig om daarvoor de toestemming te vragen aan de heer. De verplichting van de bewoners om hun graan te laten malen op de molen van de heer noemen we banaal- of banrecht. Dergelijke banrechten kwamen in diverse heerlijkheden voor, ook in andere landen. Zo werd in Frankrijk in diverse heerlijkheden een heerlijke wijnpers gebruikt of een bierbrouwerij. Dat brengt ons meteen op het volgende onderwerp, namelijk de bieraccijns.

Bieraccijns. In diverse heerlijkheden was de bierbrouwerij eigendom van de heer. In Heeze was dat niet het geval, maar de heer had wel het gruitrecht. Gruit was een wezenlijk bestanddeel van het brouwproces. Het bestond uit rozemarijn en gagel. Aan het einde van de Middeleeuwen werd het vervangen door hop. In 15de eeuwse leenregisters en in het denombrement van 1440 werd uitsluitend gesproken over het gruitrecht. In 1659 zou dat gruitrecht waardeloos zijn, vandaar dat er toen sprake was van bieraccijze ofte gruijte om aan te geven dat het recht op bierbelasting voortsproot uit het gruitrecht.

Tienden. Vanouds waren de tienden verbonden aan het patronaatsrecht, maar het kwam ook voor dat de tienden daarvan los kwamen te staan, zodat particulieren of heren de tienden hieven. De tiende was een tiende deel van de oogst. Het betrof hier niet alleen de granen, maar ook de lammeren, bijen, biggen, kalveren, veulens en de nieuwe gebieden, waarover novalia-tienden werden geheven. Het tiendbezit in de heerlijkheid Heeze, Leende en Zesgehuchten zat heel ingewikkeld in elkaar. In Heeze bezat de heer elf klampen tienden, die in 1659 verpacht waren voor 3881 vaten rogge. In Leende was slechts een gedeelte der klampen in het bezit van de heer, aangezien het klooster Keizerbosch hier eveneens tienden bezat. Desondanks werden de twee Leender tienden van de heer geschat op 2325 vaten rogge. In Zesgehuchten had de heer van Heeze geen tienden; deze kwamen toe aan de heer van Geldrop en de Landcommanderie van Aldenbiezen, terwijl de tiende van Hulst in particuliere handen was.

De smaltienden onder Heeze en Leende bestonden uit: lammeren, bijen, vlas, varkens, veulens, kalveren en ganzen.

Houtschat. Het hout dat binnen de heerlijkheid groeide op gronden van de heer, op de woeste gronden en langs de wegen kon niet zomaar door iedereen worden gebruikt als brandhout. Het kwam de heer toe.

Dode hand. De dode hand was het recht om na het overlijden van de eigenaar van een cijnsplichlig stuk grond van de erfgenamen de helft van de cijns te mogen ontvangen. In het denombrement van 1440 staat dit recht als volgt geformuleerd: t gewinne van dooderhandt als dat gevalt dats te wetene soo wije afflijvich wordt die erffgen, moeten d'erffven gewijnnen met halff alzoe veele als d'erffve jairlijcx ghelt te chijnse.

Keurmede. Oorspronkelijk was de keurmede het recht van de heer om uit de nalatenschap van de horigen het beste stuk te nemen. Van horigen was in de 15de eeuw geen sprake meer, vandaar dat het denombrement van 1440 een andere omschrijving moest hanteren: Item van cuermeeden dats is wetene als ijemant van dienstIuijden van bijnnen den lands sterft ick hebben dairaff als heere die beste cleijnheijt oft have, die dair bleeven is ende blijven die Iuijde in dat eijghenschappe alzoe lange als dat geslachte op vrouwen blijft mair manspersoene gheet dat te nijeuwte.

Vaak werd het recht van keurmede gebruikt als een recht van de heer op de erfenis van bastaarden en vreemdelingen. In het onwillig decreet van 1659 is daarom ook geen sprake meer van keurmede maar van het recht  van confiscatie, bastaert en estrangiers goet.

Grondcijns. Veel huizen en landerijen waren belast met een grondcijns aan de heer in geld of in natura, bijvoorbeeld hoenderen. De oorsprong van deze cijnzen is verschillend. Het kunnen gronden zijn die oorspronkelijk uitgegeven zijn door de heer of het kan een erkenning zijn van de heer. In sommige gevallen betreft het grond die gegeven is aan horigen, maar aangezien in vrijwel geen enkel geval de cijnsbrieven bewaard zijn, (voor zover die hebben bestaan), tasten we hierover in het onzekere. Alleen in gevallen waar nieuwe cijnzen zijn toegevoegd, is er merkbaar dat deze betaald worden aan de heer als vorige eigenaar van de grond. De cijns is dan een gebruikersrecht, dat na de afschaffing van de heerlijke rechten eigendom werd.

Voor de heer van Heeze waren de cijnzen belangrijke inkomsten.

Hand en spandiensten. Het is opvallend dat de heerlijke rechten niet allemaal worden genoemd. Het werken op bepaalde dagen voor de heer, bijvoorbeeld op de wegen en in de bossen of op de heide, was een verplichting voor iedereen. Toch wordt dit niet genoemd in het denombrement of het onwillig decreet.

IV LEEN EN LAATHOF VAN HEEZE

De oudste leenregisters van de leen- en laathof van Heeze dateren van de 16de eeuw, maar op grond van vermeldingen in die registers moet de leen- en laathof toch tenminste dateren van de 14de eeuw. De heer van Heeze had goederen in Heeze, maar ook in Maarheeze en Mierlo in leen uitgegeven aan zijn leenmannen. De hoeven werden bewoond door pachters of laten. De leen- en laathof werd bestuurd door de schout van Heeze en enkele leenmannen en laten. Eén van de belangrijkste leengoederen was een hoeve nabij de kerk van Heeze van de familie van Erp van Middegael. Deze hoeve heette aanvankelijk de Middegaelhoeve en in de 17de eeuw Monincxhoeve naar de nieuwe leenman. Een ander leengoed lag op het gehucht de Rul. Daar stond een hoeve van Mr. Lambrecht Heijmericx van den Borchward. Naar deze leenman heette de hoeve de Mr. Lambrechts hoeve of hoeve Ten Borchward. In Mierlo had de leen- en laathof de hoeve Ten Kiglar en in Aalst de Vorstervoortse hoeve (25).

Geleidelijk versnipperde echter het grondbezit van de hoeven, waardoor er een ingewikkelde administratie ontslond en de leenmannen en laten niet meer de rol speelden, zoals in de Middeleeuwen.

V CONFLICTEN OVER DE HEERLIJKE RECHTEN

Jachtrecht. Het jachtrecht in de heerlijkheid was een recht, dat gemakkelijk kon worden geschonden door derden. Het gaat daarbij niet alleen om stropers, maar vooral om kooplieden uit omliggende plaatsen, die tijdens hun jachtpartijen het grondgebied van de heer van Heeze betraden. Dit mocht alleen als de heer van Heeze daartoe zijn toestemming had verleend. Zo werden er in 1725, 1731 en 1738 contracten gesloten tussen de heer der vrije grondheerlijkheid van Heeze, Leende en Zesgehuchten en de koopman Nicolaas van Mierlo uit Eindhoven, waarbij deze laatste de jacht in Zesgehuchten pachtte voor f 15-15-0 (26). Van Mierlo was eigenaar van de H. Geesthoeve op Riel en het daarbij gelegen Speelhuis. Met andere Eindhovenaren ging hij vanuit het Speelhuis van Riel jagen op de heide van Zesgehuchten (27). Maar er waren ook andere Eindhovenaren die daar gingen jagen zonder toestemming van de heer. Voor de schepenbank werden er dan verklaringen afgelegd door ooggetuigen van die jacht om vervolgens de overtreder te kunnen beboeten.

Een heel bijzonder proces betrof de aanklacht tegen twee valkeniers, Jacobus en Adriaan Heerings uit Valkenswaard, die op 29 september 1763 werden betrapt op de heide bij Leende, toen zij met hun slechtvalk op reigers jaagden. Beide valkeniers erkenden het recht van vrije warande voor notaris De With uit Eindhoven, waarmee de zaak was afgedaan (28).

De aanklacht van de vrouwe Hoevenaar van Geldrop tegen de heer van Heeze ten aanzien van het jachtrecht te Zesgehuchten werd met spanning door juristen en historici gevolgd. Het vonnis werd zelfs nog datzelfde jaar in het tijdschrift Taxandria gepubliceerd, zoveel belangstelling was er voor dit proces. Gedurende de tweede helft van de 19de eeuw had de familie Hoevenaar in Zesgehuchten veel grond aangekocht, maar als verwoede jagers hadden zij geen recht om daar te jagen. Zij mochten dat binnen Zesgehuchten alleen in het Hulsterbroek, waar de jacht werd gepacht van de Afdeling Hulst. Wel moest de familie Hoevenaar toestaan dat jagers van de heer van Heeze over hun gronden trokken, omdat deze het jachtrecht van Zesgehuchten claimden. In maart 1904 volgde een uitvoerig proces voor de Arrondissements rechtbank te ’s-Hertogenbosch. Eiseres was A.M.M.C. Holmberg de Beckfelt, douairière H.P. Hoevenaar van Geldrop, terwijl S.J. baron van Tuijll van Serooskerken te Heeze als gedaagde werd gedagvaard. Met 60 akten probeerde de heer van Heeze zijn rechten aan te tonen, hetgeen hem overtuigend lukte.

Als overal had gestaan dat de heer van Heeze vrije warande had in heel zijn heerlijkheid, dan was er niets aan de hand geweest, maar de ongelukkige formulering in de verkoopakte van 1659, waarbij de heerlijke rechten werden verdeeld over de drie dorpen was de oorzaak van dit proces. Daar werd voor Zesgehuchten immers niet gesproken over vrije warande, maar over jacht zoo van hasen, conijnen, patrijsen ende ander wilt. Dus was er in Zesgehuchten geen vrije warande.

Molenrecht. We zagen reeds dat de dorpen Heeze en Leende beschikten over een eigen water- of windmolen, maar de Zesgehuchtenaren moesten het zonder molen doen. Zij waren ondanks dat gemis verplicht om gebruik te maken van de molens in de heerlijkheid, hetgeen in de praktijk betekende dat het graan in de molen van Heeze werd gemalen. Voor de meeste Zesgehuchtenaren was dat lastig, omdat zij in sommige gevallen wel zeven kilometer met de kar naar de molen moesten rijden, terwijl er op een kilometer afstand een molen stond. Voor de inwoners van Hulst was de watermolen van Col aanzienlijk dichterbij dan de molen van Heeze en als zij naar Heeze reden, passeerden ze op enkele honderden meters afstand de watermolen van Geldrop. Hetzelfde verhaal kan worden verteld voor de bewoners van Riel en de Putten. Voor hen was de watermolen van Stratum vlak bij de deur.

Het zal niemand verwonderen dat de meeste Zesgehuchtenaren hun granen lieten malen op de Geldropse watermolen en dat de inwoners van Hulst naar Col gingen en die van Riel naar Stratum. Alleen de boeren van het gehucht Hout hielden zich aan de regels, omdat voor hen de afstand naar Geldrop niet erg veel korter was.

Om een einde te maken aan deze misbruiken en om tevens de inkomsten uit het molenrecht te vergroten spande Albert Carel, baron van Snoekaert, de heer van Heeze en Leende, diverse processen aan tegen de eigenaren van de Geldropse watermolen, de molenaar van Col en de Zesgehuchtenaren.

In 1699 richtte Albert Carel van Snoekaert zich tot de Raad van Brabant om een aanklacht in te dienen tegen Johan François de Horne, heer van Hardinxvelt en Alexander Longin, heer van Bingen, die beiden de watermolen van Geldrop bezaten (29). Snoekaert baseerde zich zowel op de heerlijke rechten als op de plakkaten aangaande het gemaal van 1 juni 1656, 26 januari 1657 en 19 februari 1695. In die plakkaten stond dat geen ingeseten van een plaets, dorp ofte heerIijckheijdt daer een molen is, sal vermogen sijn graenen elders te doen maelen, dan op de molen van de plaetse, dorp ofte heerlijckheijdt, waer onder hij woonachtigh is. Volgens een verklaring van de schepenen van Zesgehuchten was het in Peelland heel normaal dat de boeren hun graan lieten malen, waar ze maar wilden. Vanuit Someren en Asten ging men zelfs naar Stratum, Col en Geldrop ter molen, waarom dan zo’n drukte maken over het feit dat de Zesgehuchtenaren liever naar de molen dichtbij huis reden, dan verder weg naar Heeze? Met het laatste plakkaat van 1695 was de kwestie van het gemaal verscherpt, zodat vanaf die tijd het malen in de eigen heerlijkheid werd verplicht gesteld. Om de Zesgehuchtenaren tegemoet te komen maakte de heer van Heeze een afspraak met Arnoldus de Laure, de molenaar van Heeze, dat deze elke dinsdag en donderdag met paard en kar de granen in de gehuchten zou kornen ophalen, maar toen ook dat niet hielp, vroeg hij aan de Raad van Brabant om toestemming om zijn drossaard boeien le laten opleggen aan hardleerse Zesgehuchtenaren. Dat hij die toestemming kreeg, bleek later uit verklaringen voor de schepenbank van Zesgehuchtenaren die betrapt waren, toen zij stiekum midden in de nacht hun granen naar Geldrop reden (30).

Met die stok achter de deur ging het enige tijd goed, maar het ongenoegen van de Zesgehuchtenaren moet groot zijn geweest, want na enige tijd kwam er iemand op het idee om in Zesgehuchten een molen te bouwen. Aan de Staten-Generaal werd toestemming gevraagd voor de bouw van een windmolen in Zesgehuchten. Deze aanvraag kwam ter ore van Albert Carel Snoekaert, die prompt een brief stuurde naar de Staten-Generaal om deze instantie er op te wijzen, dat zij binnen zijn heerlijkheid niet het recht hadden om toestemming te verlenen aan de één of ander om een windmolen op te richten. In 1717 maakte hij met behulp van een advocaat een zogenaamde Casus Positie, waarin hij aantoonde dat het molenrecht een van de heerlijke rechten van de heer van Heeze was en dat de leenband met de hertogen van Brabant (waarvan de Staten-Generaal de rechtsopvolger was) slechts manschap inhield en niets meer, zodat ook de zeggenschap binnen de heerlijkheid beperkt was. Ook nu weer kreeg Snoekaert zijn zin, zodat de molen er nooit gekomen is, ook al beweren anderen dat die vermoedelijk kort daarna is opgebouwd (31).

Toen Snoekaert eenmaal op leeftijd was gekomen, werd hij milder en op 2 december 1732 verleende hij toestemming aan de molenaars van Geldrop en Col om granen van de Zesgehuchtenaren te malen voor een jaarlijkse vergoeding van f 15,-. Daarmee was het probleem opgelost (32).

 

VI DE HEERLIJKHEID TIJDENS HET ANCIEN REGIME

Met de koop van de gehele heerlijkheid in 1659 door Albert Snoekaert van Schaumburg begon een nieuwe periode. Snoekaert was een militair, die het zich kon veroorloven een heerlijkheid te kopen met de daarbij behorende titel heer van Heeze, Leende en Zesgehuchten. Dit verschijnsel kwam steeds vaker voor, omdat de katholieke adellijke geslachten veelal naar de Zuidelijke Nederlanden verhuisden. In 1653 kocht Martin Ignatius van Horne, de heer van Geldrop een heerlijkheid nabij Mechelen om zich daar te vestigen en ruim honderd jaar later verkochten zijn afstammelingen het kasteel met de heerlijkheid aan een Leidse regent. Zo zijn er diverse voorbeelden te geven, hoewel we de trek naar het zuiden niet direkt als vlucht moeten beschouwen, aangezien veel adellijke families reeds lang één of meer heerlijkheden bezaten, zodat zij in de 17de of 18de eeuw alleen maar besluiten om hun noordelijke bezittingen op te geven of te verkopen, omdat de inkomsten daaruit te gering waren. Voor de heren was het natuurlijk niet prettig, dat hun bestuurlijke en juridische macht werd beknot, waardoor alleen de geldelijke inkomsten uit de heerlijkheid bleven. Albert Snoekaert beschouwde zijn nieuwe aanwinst als een mogelijkheid om zijn status te verhogen. Hij gaf de beroemde architect Pieter Post opdracht om een geheel nieuw kasteel te bouwen in de classicistische stijl, maar dit plan werd slechts ten dele uitgevoerd.

Zijn zoon Albert Carel Snoekaert trachtte het uiterste uit de heerlijke rechten te halen, hetgeen blijkt uit de talloze processen tegen wanbetalers. Hij verplichtte de bouwers van de Aalsterhut weggeld te innen, liet achterstallige cijns via executioriale verkoop betalen, veroordeelde overtreders van het molenrecht, verpachtte de jacht te Zesgehuchten en breidde zijn bezittingen uit ten tijde van de landbouwcrisis in de dertiger jaren van de 18de eeuw.

In 1733 verkocht hij de heerlijkheid Heeze-Leende-Zesgehuchten voor f205 000,- aan François Adam de Holbach, chevalier, baron de SaintEmpire (33). Deze baron was slechts gedurende enkele maanden per jaar in Heeze aanwezig, wat in het dorp merkbaar was aan de hoeveelheid bedienden en de karren wijn die vanuit Frankrijk naar het kasteel werden vervoerd. Hij liet het beheer van de heerlijkheid over aan zijn rentmeester. Veel gaf hij niet om Heeze. In 1739 probeerde hij vergeefs de heerlijkheid te verkopen en in 1750 schonk hij het gebied aan zijn zoon Paul Henri Thierry de Holbach, raad en secretaris van de koning van Frankrijk en tevens een verdienstelijk filosoof.

Slechts negen jaren hield deze zijn bezit aan tot hij in Jan Maximiliaan, baron van Tuyll van Serooskerken een koper vond (34). Van Tuyll was generaal-majoor der cavalerie. Voor hem was Heeze belangrijker dan voor zijn voorganger, de Parijzenaar De Holbach. Hij liet reeds in 1760 zijn recht van vrije warande in Heeze bevestigen door de Staten-Generaal. Herhaaldelijk waarschuwde hij de Heezenaren, dat zij hun loslopende honden moesten vasthouden, omdat die het wild verstoorden. Zelfs de zoon van de drossaard merkte in 1764 hoe serieus Van Tuyll zijn jachtrecht verdedigde, toen hij een boete kreeg voor het ongeoorloofd jagen met lange honden.

VII DE AFSCHAFFING VAN DE HEERLIJKE RECHTEN

De kleinzoon van Jan Maximiliaan van Tuyll van Serooskerken was reeds op 12-jarige leeftijd heer van Heeze geworden. Jan Diederik van Tuyll was in 1773 te Utrecht geboren en overleed te Heeze in 1843. Hij huwde in 1796 in De Bilt met Johanna Catharina van Westreenen. De tijden waren toen al veranderd. De patriotten hadden in 1795 voor een omwenteling gezorgd, dank zij het vertrek van Willem V voor de Franse troepen. In 1798 werden overal de heerlijke rechten afgeschaft. De heer had geen zeggenschap meer over de regenten van het dorp en ook de zakelijke verhouding met de Heezenaren werd anders. Wat er nu allemaal verdween, was in eerste instantie nog niet duldelijk. In dorpen waar in de middeleeuwen de gemene grond was uitgegeven, mocht de gemeente zich eigenaar noemen van de woeste gronden. In Heeze werd de verpachting van de heide even opgehouden om te bekijken of de heer het recht wel had om te verpachten, maar al spoedig bleek dat de heer eigenaar was van de woeste gronden, aangezien die in Heeze altijd werden verpacht en nooit waren uitgegeven. Niet dat deze grond zoveel waarde had, maar de inkomsten uit de verpachting bleven in handen van Van Tuyll. 

In 1814 werd getracht de steun te verkrijgen van koning Willem I om de heerlijke rechten te herstellen. Veel rechten bleven afgeschaft, maar het jachtrecht werd hersteld. Voor het benoemingsrecht van de schout en secretaris zou vanaf 1819 een vergoeding worden gegeven. Jan Diederik van Tuyll verzette zich hevig tegen die vergoeding en weigerde elk jaar de kwitantie in ontvangst te nemen, omdat hij daarmee de afschaffing van het benoemingsrecht en de daarmee samenhangende inkomsten, zou erkennen (35). Hij was samen met De Jong van Beek & Donk één van de belangrijkste bepleiters van de handhavlng van het erfsecretariaat en de heerlijke benoemingsrechten, maar zijn strijd was tevergeefs. Bij de grondwet van 1848 werd de afschaffing definitief geregeld.

Over het cijnsrecht werd echter niet meer gesproken, hoewel de betalingen van de cijnzen aangeven dat de penningen en stuivers nog steeds werden afgedragen. De bedragen waren vermoedelijk zo gering geworden, dat niemand zich daar druk over maakte. Wie over voldoende geld beschikte, stapte naar de heer en kocht de cijns af. In de loop van de tweede helft van de 19de eeuw verdween daarmee het cijnsrecht.

Tegen her tiendrecht kwamen rondom 1848 steeds meer protesten van de boeren. In 1848 werden in de omgeving van Heeze acties ondernomen om het tiendrecht af te schaffen. De boeren glngen zich organiseren om gezamenlijk de tienden af te kopen. Veelal werd het tiendrecht nog een twintigtal jaren voortgezet om het bedrag van de afkoop terug te verdienen, maar daarna was deze last voorgoed verdwenen (36).

Ondanks het feit dat Samuel John van Tuyll van Serooskerken op 23 maart 1904 het proces over het jachtrecht won van vrouwe Hoevenaar van Geldrop bleef ook dit recht niet lang aan de heerlijkheid verbonden, aangezien de jachtwet van 1923 een einde maakte aan het heerlijke jachtrecht.

Met de opheffing van de heerlijke rechten verdwenen de meeste inkomsten van de heer. Het kasteel moest voortaan onderhouden worden uit de inkomsten van het onroerende bezit. Tot aan het begin van deze eeuw lukte dat nog heel goed, omdat het personeel nog betaalbaar was, maar toen verhoogde uurlonen en sociale lasten een rol gingen spelen werden, de kosten van het onderhoud van de bezittingen hoger dan de inkomsten eruit. Heer van Heeze was toen naast een inhoudsloze titel alleen nog maar een kostbare zaak geworden.

Noten  

1  H.P.H. Camps, Oorkondenboek van Noord-Brabant tot 1312. De Meierij van ’s-Hertogenbosch, ‘s-Gravenhage, (1979), I, 105-107 en 147-148.  

2  H.P.H. Camps, Oorkondenboek van Noord-Brabant tot 1312. De Meierij van 's-Hertogenbosch, 's-Gravenhage, (1979), I, 162. Eninge is een soort graafschap.  

3  M.K.J. Smeets en W.E.S.L Keyser-Schuurman, Inventaris van het archief van de Munsterabdij te Roermond, 1220-1797, Maastricht, (1974) 51.  

4  H.P.H. Camps, Oorkondenboek van Noord-Brabant tot 1312. De Meierij van ’s-Hertogenbosch, ’s-Gravenhage, (1979) I, 515-516.  

5  A.C.M. Kappelhof, "De hoeven van het Bossche Geefhuis“, Noordbrabants Historisch Jaarboek, (1984), 83-142.  

6  T. Klaversma, "De Hornes 1296-1345", Publications de la Societé historique et archeologique dans Ie Limbourg, Maastricht, (1985), 53.  

7  C. Stroobant, Notice historique et genealogique sur Ies seigneurs de Braîne-le-Chateau et Haut-Ittre. Bruxelles, (1849), 47-49.  

8  Rijksarchief Noord-Brabant, Leenhof van Brabant llll, f 318-319. Het Bossche Strickgrefier is een leenregister opgemaakt door griffier Strick.  

9  Kasteelarchief Heeze A 2; zie ook: Algemeen Rijksarchief Brussel, Leenhof van Brabant.  

10  Kasteelarchief Heeze A 1.  

11  Rijksarchief Noord-Brabant, Rechterlijk archief Heeze, diverse verkopen in het protocol van transporten.  

12  Meierijse Courant 1902.  

13  Gemeentearchief Geldrop, Oud-administratief archief I.  

14  Gemeentearchief Heeze, Oud-administratief archief 24-30.  

15  Algemeen Rijksarchief Brussel, Cijnsboeken hertog van Brabant.  

16  J. Coenen, Mie Peels en de Aalslerhut. Hapert, (1985).  

17  Kasteelarchief Heeze A 84-85.  

18  Rijksarchief Noord-Brabant, Leen- en Laathof van Heeze l.  

19  D. de Jong, Kronyk of aantekening der merkwaardige voorlen binnen de gemeente Heeze en eenige omliggende dorpen. Achelse Kluis, (I953) 15.  

20  Kasteelarchief Heeze A 2.  

21  Taxandria, XI, (1904).  

22  J. Coenen, Mie Peels en de Aalslerhut, Hapert, (1985) 20.  

23  Kasteelarchief Heeze A 28b.  

24  Rijksarchief Noord-Brabant, Notarieel 2066, 1 februari 1813.  

25  Rijksarchief Noord-Brabant, Leen- en Laathof van Heeze 1-4.  

26  Kasteelarchief Heeze A 27.  

27  Dit bleek vooral uit conflicten met Eindhovenaren, die op de heide jaagden en geen toestemming hadden van de heer van Heeze.  

28  J. van Oorschot, Vorstelijke vliegers van Valkenswaardse valkeniers, Tilburg, (1974) 51-52.  

29  Kasteelarchief Heeze A 28b.  

30  Rijksarchief Noord-Brabant, Rechterlijk archief Heeze-Leende-Zesgehuchten, protocol van allerhande akten.  

31  Kasteelarchief Heeze A 28c.  

32  Kasteelarchief Heeze A 22; Gemeentelijk archief Heeze, Oud-administratief archief 24.  

33  E.W. Moes, K. Sluyterman, e.a, Nederlandsche Kasteelen en hun historie, 3 delen, (1912), 224.  

34  E.W. Moes, K. Sluyterman, e.a, Nederlandsche Kasteelen en hun historie, 3 delen, (1912), 225-227.  

35  Rijksarchief Noord-Brabant, Archief Provinciale Griffie, 4770; A.F.J. van Kempen, "De afkoop van de heerlijke rechten", Varia Historica Brabantica. XI, ‘s-Hertogenbosch, (1982) 137-194.

Ga terug