De Oost-Brabantse Boerenmuts

Heemkronijk jaar:1965, jaargang:4, nummer:6, blz.60 -61

DE OOST-BRABANTSE BOERENMUTS

door: C.J.A. van Helvoort

Wanneer we gaan schrijven over de oost brabantse boerenmuts, dan is deze uitdrukking enerzijds te ruim, anderzijds niet ruim genoeg. Het streektype van de muts heeft op verschillende plaatsen zodanige afwijkingen, dat we in oostbrabant toch zeker onderscheid moeten maken tussen die van de Bosse Meierij en de Langstraat. Anderzijds moeten we niet van de boeremuts spreken, want deze muts werd niet alleen door boerenvrouwen maar door alle vrouwen en meisjes van het dorp gedragen, voor zover deze niet uit de steden waren ingekomen. De daggeldersvrouw, de boerin, de vrouw van de groot grondbezitter, de burgemeestersvrouw en de vrouw van de brouwer, zij droegen allen de grote muts, al moest het standsverschil, dat in die dagen op het dorp bijzonder groot was, in het bijzonder door de kostbaarheid van de muts tot uitdrukking worden gebracht.

Men spreekt nu dikwijls van “de poffer" als men de oost-brabantse muts bedoelt, waarvan de poffer maar een onderdeel ís. Zo kan men in de Tijd van 12 augustus 1965 lezen, dat de Brabantse koffietafel wordt bediend door lieve meisjes met orginele Brabantse mutsen, de zogenaamde poffers. Deze poffer is slechts de slinger van bloemen en zijden linten, die op de muts wordt gehecht. Oorspronkelijk eenvoudige toefjes bloemen heeft de poffer zich omstreeks 1850 hieruit ontwikkeld. De poffer moet gedeeltelijk de welstand van de draagster aangeven. De hoofdzaak zit echter in de kostbaarheid van de handgeweven Brusselse kant, die van de muts het belangrijkste onderdeel vormt. Deze kant was vroeger de trots van de familie en werd geslachten lang van moeder op kind overgedragen.

De muts werd ver op het hoofd geplaatst, zodat zij vrijwel alle hoofdhaar bedekte. Op het voorhoofd welfde dan een strook van geplooide kant, sterk gesteven en door de mutsenmaakster op een raampje met koperen stokjes in natte toestand geplooid. Aan dit plooisel was de ondermuts bevestigd van zwarte stof, die het gehele achterhoofd omsloot en dit afdekte met een ronde schijf bordpapier aan de onderzijde afgeplat, welke schijf met kant was overspannen. Aan de ondermuts, de kanten strook en de achterschijf werd dan de eigenlijke mutsvorm gegeven door een gevaarte van witte tulle met sterk opbollende zijkanten. De afhangende tulle rand werd vervolgens geheel met kant afgezet. Over dit alles wordt de poffer gespeld.

 

Nu was bij deze grondvorm het onderscheid tussen de muts uit de Langstraat en uit de Meierij toch zeer opvallend. De Meierijse muts heeft geen kartonnen achterdeel maar een vrij loshangend kanten nest, dat de haarknot van de draagster omvat. Sterker springt het verschil nog in het oog bij de poffer. De Meierijse poffer is zwaarder en langer en aan beide zijden hangen brede zijden linten met gerafelde uiteinden tot over de schouders van de draagster af. Van de Langstraatse poffer zijn de zijden linten meestal iets smaller en zij hangen niet aan weerszijden af maar    vormen in het midden een strik met op de rug hangende uiteinden. De grote muts van de arme heeft geen poffer en ook geen kant en bij het werk gedragen hangt zij meestal als een vaatdoek neer. Onze Meierijse muts werd tot in Noord Limburg gedragen.

Behalve de grote muts had men ook nog de kleine muts. Of men die uit onze streken de knipnnuts mag noemen om ze van andere streken te onderscheiden betwijfel ik, alhoewel ik ze in eigen omgeving soms wel als zodanig hoorde aangeduid. De voorzitter van de Heemkundekring St.Oedenrode, de heer Van Breugel, noemt ze in het Eindhovens Dagblad van 14 augustus 1965 "het Bosch mutske". Volgens zijn informatie zou het echter uit Tilburg stammen. Ook dit meen ik te moeten betwijfelen, want in Tilburg droeg men een geheel ander model als in de omstreken van Den Bosch. In Streekdrachten van het Nederlands Openluchtmuseum staat dit duidelijk aangegeven. Ons Bosch type wordt daar aangegeven als gebruikelijk in Vlijmen, maar voor weinige jaren zag ik het nog in Heeze dragen. De uitdrukking "het Bossche mutske" vindt misschien zijn oorsprong wel hierin, dat op de dagelijkse groentemarkt van Den Bosch vrijwel alle verkoopsters, meisjes uit de omliggende dorpen, zulk een mutsje droegen. De oudere verkoopsters, die men toen zoetelaars noemde, droegen toen hoofdzakelijk de slap afhangende tulle muts zonder kant of poffer.

Mijn oordeel over de Brabantse muts berust op eigen ervaring. Mijn moeder droeg de Langstraatse muts tot zij op de Meierijse moest overschakelen omstreeks 1910 bij gebrek aan mutsenmaaksters. Deze laatste muts heeft het tot aan de laatste wereldoorlog nog vrij goed uitgehouden. Doordat ik in mijn jeugd naast een mutsenmaakster woonde en die ik dikwijls bezocht, zijn mij de verschillende vormen van de mutsen bijgebleven.

 

Ga terug