750 jaar geschiedenis van de parochie Sterksel, 1211-1961 (1)

Heemkronijk jaar:1996, jaargang:35, nummer:2, pag:72 -86

750 JAAR GESCHIEDENIS VAN DE PAROCHIE STERKSEL, 1211-1961 (1)

door: Peter Dekkers

 

Inleiding

Waarschijnlijk moeten we de oorsprong van Sterksel evenals die van Heeze en Geldrop in Leende zoeken. Leende immers zou het centrum van een domein van het kapittel van Sint-Lambertus te Luik zijn geweest, waartoe ook Heeze, Sterksel, Zesgehuchten en Geldrop zouden hebben behoord. In dat geval zou de oorspronkelijke kerk van Leende al uit de elfde eeuw stammen. Niet het huidige kerkgebouw, dat dateert uit de veertiende eeuw. Maar wel zal de eerste Leendse kerk op dezelfde, ietwat opgehoogde plaats hebben gestaan en dezelfde patroon hebben gehad: Sint-Petrus’ Banden.

De keuze voor deze patroon wijst erop dat er een band met de bisschop van Keulen moet hebben bestaan. In Keulen werden namelijk sinds omstreeks 1000 de ’banden’ of boeien van Petrus bewaard.(1)  De andere kerken (van Heeze, Geldrop en Sterksel) kunnen dus pas ontstaan zijn, nadat ze van Leende zijn losgekoppeld. Het is namelijk ondenkbaar dat er tegelijkertijd op één domein twee kerken zouden hebben gestaan. De kerk gaf altijd het centrum van een domein aan. Een kerk was ook een statussymbool voor de stichter ervan. Toen Heeze zich had losgemaakt van het oude domein Leende, stichtte de heer van Heeze dan ook al gauw een eigen kerk, die hij wijdde aan Sint-Martinus. Heel brutaal, kennelijk om zijn onafhankelijkheid tegenover het oude domeincentrum Leende te tonen, stichtte hij zijn Martinuskerk in het gezichtsveld van de oude kerk van Leende, op het tegenwoordige "Oud Kerkhof".

 

De inkomsten van de Sterkselse kapel

Reeds in Karolingische tijden was een tiende van de oogst binnen een kerspel bestemd voor de parochiekerk. Dit gebod vond zijn bestaansgrond in de bijbel.(2) Bij kerken die door een plaatselijke heer waren gesticht (zgn. "eigenkerken") gold een (Germaanse) driedeling van de tienden: twee derde voor de eigenkerkheer en een derde voor de pastoor.

In 1211 bleek Herbert de tiend van Sterksel in bezit te hebben.(3) Herbert, heer van Heeze, droeg een derde van zowel de grote als de kleine tiend over. De grote tiend behelsde een tiende van de opbrengsten van graan, hout en grootvee; de kleine tiend sloeg op de opbrengsten van tuinbouw, pluimvee en zuivel. Hoe kon dat gebeuren? Had hij in 1197 niet "mijn allodium Sterksel mét zijn toebehoren" aan Averbode overgedragen? (4)  Hoe konden de tienden daar dan buiten zijn gevallen? Dat kan alleen als die tienden op dat moment niet tot zijn allodium op Sterksel behoorden. Herbert heeft de tienden dus na 1197 verworven.       
Bouwland was altijd tiendplichtig aan de parochiekerk en sinds de kerstening hoorde men altijd onder een bepaalde kerk. Vóór 1197 hoorden Heeze en omstreken bij de parochie Leende. In de oorkonde van 1211 lijkt de Sterkselse tiend iets nieuws te zijn: Herbert wilde hem helemaal hebben, maar Averbode verzette zich daartegen. Omdat in deze oorkonde sprake is van een driedeling mogen wij ervan uitgaan dat de kerk van Heeze, waar de Sterkselse tiend voor bestemd was, Herberts eigenkerk was. Deze kerk zal dus waarschijnlijk kort voor 1211 gebouwd zijn, zodat Herbert toen de tiend in de nieuwe parochie kon gaan opeisen. (5) De Heezer kerk kreeg de kerkpatronen Martinus en Agatha. Volgens wijlen Domien de Jong wijst het patrocinium van Sint-Maarten op een eigenkerk.(6)  

De tiend moest betaald worden door iedereen die van de Heezer eigen- kerk gebruik maakte. Sterksel hoorde echter als "allodium" (vrij, eigen goed) van Averbode onder de "parochie Averbode".(7) Bovendien hadden de premonstratenzers in 1138 tiendvrijheid gekregen. Herbert eiste de tiende in Sterksel echter helemaal op - inclusief het derde deel voor zijn pastoor.

Uiteindelijk werd er een compromis gesloten: het hof van Sterksel zou slechts twee derde van de tiend hoeven betalen. Hiermee was Sterksel ondergebracht bij de parochie van Heeze. Herbert stond - mede op aanraden van anderen - een derde van de Sterkselse tiend als aalmoes af aan Averbode ten behoeve van de bouw van een kapel te Sterksel en ten behoeve van zijn zieleheil en dat van zijn familie. Zo stelde Herbert dat, maar de abdij voelde zich ongetwijfeld niet verplicht tot het lezen van een jaargetijde; het huis Heeze komt niet in het necrologium van de abdij voor.

Zeventien jaar later, in 1239, bleek die kapel er al te staan, toen paus Gregorius IX de abdij van Averbode bevestigde in het bezit van de ecclesia de Stercsele.(8) Paus Urbanus IV had in 1262 de norbertijnen nog aangespoord om in hun uithoven kerken te bouwen.(9) Het was de norbertijnen volgens hun statuten echter niet toegestaan te dopen "uit gevaar van groot schandaal". (10) Het zou daarom tot 1562 duren eer de Sterkselse kapel een doopvont kreeg.(11)

Ondertussen liep het met de Sterkelse tiend heel anders dan in 1211 was overeengekomen. In 1245 oorkonde Engelbert van Horn dat Hendrik van Mierlo c.s. de gehele tiend van Sterksel, die zij aan de abdij van Averbode hadden verkocht, aan die abdij hadden overgedragen. Hendrik deed niet alléén afstand van de tiend; hij deed dat samen met zijn erfgenamen en met zijn vrouw en deze samen met háár erfgenamen. Dat was alleen mogelijk als zijn vrouw zelf ook enig recht kon doen gelden op deze tiend. Hendriks vrouw zou er een van het huis Hese geweest kunnen zijn. Een zuster van Reinard van Hese zou deze tiend dan in dit huwelijk hebben aangebracht. Om het recht op een derde van de tiend erkend te zien, zag de abdij van Averbode zich genoodzaakt de gehele tiend van Sterksel te kopen. Uiteindelijk heeft de overdracht plaatsgehad "volgens de regels die voor de handel in onroerend goed waren vastgesteld door de Raad van de hertog van Brabant, zoals die ook in Eindhoven van kracht waren".(12) Namens de hertog had Hendrik van Waalre toezicht op de verkoop en de overdracht en hij besloot dat deze inderdaad volgens de regels had plaatsgevonden. Sindsdien is er nooit meer kwestie geweest over de tiend van Sterksel.

Vanaf 1414 betaalden de pachters van Sterksel jaarlijks een bedrag aan de bedienaar van de Sterkselse kapel.(13) Dat wil zeggen: sommige pachters. In de afrekeningen blijken namelijk alleen de pachters van de hoeven Ten Poel, Ten Steen en Ten Bril afdrachten aan de kapelaan te doen. Dit was het loon voor de kapelaan van Sterksel. Daarnaast betaalden de pachters ook nog eens tienden aan de abdij én waren zij volgens hun kontrakt verplicht elk een deel van het onderhoud van de kapel op zich te nemen. Dit deel werd niet geleverd in hand- en spandiensten (want die werden doorgaans uitgevoerd door de dorpstimmerman) maar in natura: een koe, een lam en een roef wol. In 1510 voegde de abt daar zelf nog een paar schapen aan toe.(14)  Eigenlijk betaalden de pachters dus dubbel, want de tienden waren juist bedoeld voor het onderhoud van de kerk en de bedienaar.

De graantiend was gewoonlijk in de huurprijs inbegrepen. Slechts een enkele maal wordt hij afzonderlijk genoemd.(15) Daarnaast waren er de hooitiend, lammer- of schapentiend, bijentiend, fruittiend en ganzentiend. Ook deze tienden waren in de pachtsom inbegrepen, maar werden nog wel onderscheiden. Wat de bijentiend precies inhield blijft duister. Vermoedelijk betrof deze alleen (een tiende van) de bijenzwermen, aangezien de honing in de middeleeuwen niet veel voorstelde en de bijenwas reeds in de pacht was inbegrepen. De lammertiend werd in de oogstmaand verzameld.(16)

Tienden, die de Sterkselse hoevenaars volgens hun pachtkontrakten moesten betalen (1375-1550).

 

TER BRAKEN

1375:     vier mud rogge

1388:     pachter mag de tiend houden

1432:     bijen- en lammertiend

1509:     zeven mud rogge; bijen- en lammertiend

 

TEN STEEN

1388:     bijen-, lammer- en ganzentiend   

1433:     fruit-, schapen- en bijentiend

1509:     fruit-, schapen- en bijentiend

 

 IN DE KAN

1389; 1399: pachter moet de tiend van Ten Poel en Ten Steen betalen.

1509:     pachter moet tiend van Ten Steen betalen en daarnaast zijn eigen lammer- en bijentiend

 

TEN POEL

1379:     bijen-, lammer- en ganzentiend, te betalen in karweien

1507:     bijen-, schapen- en fruittiend

1550:     bijen-, lammer- en fruittiend (deels afgekocht)

 

TEN BRIL

1507:     bijen- en lammertiend

 

MEIER

1379:     ontvangt helft van de hooitiend als loon

1395:     ontvangt helft van de tiend van Steenweghes bemdt en de helft van de hooitiend van Ten Poel  

In 1622 verwierf de Sterkselse kapel trouwens een nieuwe inkomsten-bron. De abt van Averbode gaf in dat jaar een vergunning uit aan Adriaen Weynouts, valkenier uit Weert, om drie jaar lang valken te vangen op de Sterkselse heide. Adriaen moest voor elke gevangen valk een pond was betalen aan de Sterkselse kapel.(17) Zo kwam de kapel aan haar kaarsen; de was die de pachters leverden was bestemd voor de abdij in Averbode.

 

Betalingen, die de Sterkselse pachters feitelijk aan hun kapelaan deden (1414-1490).(18)   

 

1414:     Walter Craendoncs (In de Kan)             een Engelse nobel

1415:     Henricus Craendoncs (Ten Bril)            een Franse kroon

1417:     Johannes Craendoncs (Ten Poel)          een kroon

1430:      Egidius Craendoncs (Ten Steen)          achttien lopen gerst

               Johannes Craendoncs (Ten Poel)         achttien vas gerst

1431:      Johannes Craendoncs (Ten Poel)         anderhalf mud gerst

                Egidius Craendoncs (Ten Steen)         anderhalf mud gerst

1432:       Johannes Craendoncs (Ten Poel)        drie mud gerst

                Egidius Craendoncs (Ten Steen)          drie mud gerst

1433:        Egidius Craendoncs (Ten Steen)         drie mud gerst

                 Johannes Craendoncs (Ten Poel)        drie mud gerst

1434:         Egidius Craendoncs (Ten Steen)         drie mud gerst

                  Johannes Craendoncs (Ten Poel)        drie mud gerst

1436;          Johannes Craendoncs (Ten Poel)        drie mud gerst

1438:         Johannes Craendoncs (Ten Poel          drie mud gerst

                   Egidius Craendoncs (Ten Steen)          drie mud gerst

1439:           Egidius Craendoncs (Ten Steen)         drie mud gerst

                    Johannes Craendoncs (Ten Poel)        drie mud gerst

1440:           Egidius Craendoncs (Ten Steen)           drie mud gerst

                    Johannes Craendoncs (Ten Poel)         drie mud gerst

1490:           Johannes Ghyben (Ten Steen)              drie mud gerst

                    Johannes de Eyck (Ten Poel)                drie mud gerst

1492:           Johannes Ghyben (Ten Steen)              drie mud gerst

                    Johannes de Eyck (Ten Poel)                drie mud gerst

1493:           Henricus Ghyben (Ten Steen)                drie mud gerst

                    Johannes de Eyck (Ten Poel)                 drie mud gerst

1498:           Johannes Claes (Ten Poel)                     drie mud gerst

 

De kapel

We zagen eerder dat er in 1239 al een kapel in Sterksel stond, maar van dit gebouw is verder niets bekend. Waarschijnlijk stond ze al wel op de plaats van de latere kapellen, dat is het huidige kerkhof. Dit is namelijk een opgehoogd terrein van ca. 20 X 30 meter, dat zo’n anderhalve meter boven het maaiveld ligt.

Het is wat archeologen een "heilige plaats" noemen, zodat dit ook wel de oorspronkelijke plaats van de twaalfde-eeuwse kapel zal zijn geweest. Van welk materiaal de kapel was opgetrokken, daarover spreken de bronnen elkaar tegen. Sommige berichten spreken van duizenden bakstenen, die voor de kapel bestemd waren. Andere berichten melden weer dat de wanden van de kapel van stro en leem gemaakt waren.(19)

In 1412 en in 1430-1432 werden er grote werkzaamheden aan de kapel uitgevoerd, waarschijnlijk in verband met de verwoestingen, die de bisschop van Luik in 1410 in Sterksel had aangericht.(20) In 1437 was de kapel eindelijk weer zover gereed dat broeder Dionisius, karmeliet en hulpbisschop van Luik, de kapel feestelijk kon inwijden.(21)  In 1510 worden er twee kapelmeesters aangesteld en eerst dan horen we dat de Sterkselse kapel aan Sint-Catharina, vermoedelijk van Alexandrië, is toegewijd.(22) Van de kapelmeesters moest er elk jaar één wisselen. De kapelmeesters verkochten de schapen, huiden en wol, die de pachters als "gezinsbijdrage" aan de kapel gaven. Daarvoor konden de kapelmeesters dan weer liturgische benodigdheden (kaarsen, brood, wijn) kopen en het gebouw onderhouden.(23)

De pachters konden voor hun geestelijk heil naar de omliggende paro- chiekerken trekken, maar het belang van de abdij Averbode verzette zich daartegen: zij zou haar greep op Sterksel kunnen verliezen aan een naburige pastoor. En dit was precies wat er gebeurde; de kapelaan van Sterksel was op den duur een priester uit het naburige Heeze. Het was in het belang van de abdij om op geen enkele wijze de indruk te wekken dat Sterksel afhankelijk was van een ander dorp. Vandaar haar gevecht tegen de omliggende dorpen, die Sterksel herhaaldelijk onder hun "dorp" of "parochie" wilden laten vallen.(24) Een eigen kapel was zodoende een steun in de rug. De bisschoppelijke registers ("pouillé’s", uitgegeven door G. Bannenberg, A. Frenken en H. Hens) rekenen Sterksel echter onder de parochie van Heeze.(25) Dat is ook niet zo vreemd, want voor een fundamenteel sacrament als de doop moesten de Sterkselnaren naar Heeze of Leende. De Sterkselse kapel ontving pas in 1562 de vergunning van de bisschop van Luik om een doopvont op te richten, zonder dat de kapel dan overigens parochiekerk werd.(26)  Deze doopvont is trouwens bewaard gebleven, in de tuin van Huize Sterksel (zie de afbeelding). Ook een altaarsteen van de kapel is onlangs teruggevonden (zie de afbeeldingen).

Deze afhankelijkheid van de parochie Heeze werd ook nog eens bevestigd doordat de abdij in 1623 twee (eike)bomen afstond voor de renovatie van de Heezer pastorie en later ook nog eens twee bomen voor een communiebank in de kerk van Heeze "opdat de pachters van Sterksel vrije toegang mogen hebben in de kerk van Heeze".(27)

Andere "gezinsbijdragen" waren de zestien stuivers (1522; in 1525 21 stuivers) die de Sterkselse pachters jaarlijks moesten betalen aan de koster van Heeze voor het brood en de wijn. Zelfs betaalden de pachters de koristen van Heeze voor de door hen gehouden processies (ten tijde van vasten, rampen en drie dagen voor Hemelvaartsdag): zes stuivers (in 1522 achttien stuivers).(28)

 

Bedienaars van de Sterkselse kapel, 1382-1645.

In 1518 schonk Willem, priester en zoon van Hendrik Lamberts uit Heeze, namens Nicolaus Kuyst een erfrente van vier gulden aan het Catharina-altaar in Sterksel om er jaarlijks een mis van te lezen op de zaterdag omstreeks Maria-Hemelvaart (15 augustus).(45)  Deze Willem Lamberts was toen al kapelaan van Sterksel. In 1527 werd zijn aanstelling door de abt verlengd, niet alleen vanwege de door hem gestichte mis en zijn goede werk tot nog toe, maar ook omdat de abt zeer tevreden was over zijn loffelijk optreden gedurende de Gelderse troebelen, die de streek hadden geteisterd.(46)

In 1518 was het inmiddels ook tachtig jaar geleden dat de kapel was ingewijd. Maar ondertussen was iedereen vergeten wanneer nu precies de wijdingsdag van de kapel was. Deze dag was gewoonlijk een feestelijke gelegenheid voor de geloofsgemeenschap. Men placht de wijdingsdag te vieren op de zondag omstreeks St.-Dionysius (9 oktober), wellicht ter herinnering aan broeder Dionysius die destijds de Catharinakapel had ingezegend. De abt van Averbode verzocht de bisschop om een uitspraak en deze stelde de wijdingsdag vast op de zondag na St.-Dionysius. Tegelijk verleende hij veertig dagen aflaat aan allen die de kapel zouden komen bezoeken. Men hoopte zo op extra bezoekers en dus op extra inkomsten voor het offerblok. In 1519 gaf de abt aan de kapelmeesters een rode kazuifel, een stola en een manipel (liturgische kledingstukken). Bovendien twee altaarkleden (van elk vier el) en een voorhangsel van hennep met daarop St.-Catharina tussen de bloemetjes afgebeeld. Ook gaf de abt een zeer kostbaar boek: een gedrukt Luiks missaal, ingebonden en verlucht (kosten: veertien gulden).(47)

De kapel moest trouwens wederom gerenoveerd worden en daar werd veel geld ingestoken. Er werd een slot op de kapel gezet. In Antwerpen werd een beeld van St.-Brigida besteld bij Peter den Beeldsnyder (kosten: zeven gulden). Vervolgens werd het beeld door de schilder Anthonius van Huldeberge gepolychromeerd. De abt stuurde aan de kapelaan van Sterksel zijn oude loden busje voor het heilige oliesel. Bovendien had de abt ten behoeve van de Sterkselse celebrant een koperen wasketel (met ijzeren handvat) besteld bij de Diestse ketelmaker Peter van Myeleberch (kosten: zeventien stuivers). We moeten hier denken aan een wasbekken, veeleer dan aan een tobbe. In 1525 volgden nog een ijzeren kandelaar op één poot (met zes engeltjes) en enige paramenten: een mantel, albe, stola, manipel, amict en een gordel. Tegelijk vernemen wij uit de rekening dat het altaar zeseneenhalve voet lang was en dat er een kruis met een vaandel aan hing (zoals in het wapen van Averbode; zie de afbeelding op blz. 85).(48)

Een eeuw later, in 1619, wijdde de bisschop van Den Bosch (dit bisdom was in 1559 afgesplitst van het bisdom Luik) de Sterkselse kapel opnieuw: het hoofdaltaar aan St.-Catharina en het bij-altaar aan het H. Kruis. Hij stelde de feestdag van de wijding vast op 22 augustus. Ook hij schonk veertig dagen aflaat aan hen die de kapel bezochten op de wijdingsdag “van de priem tot aan de tweede vespers.” De bisschop hoopte dat de kapel haar offerblok zo voldoende kon vullen voor reparaties en onderhoud.(49)  Waarom was deze tweede wijding ineens nodig geweest? Vermoedelijk zal de kapel gedurende de troebelen van de Tachtigjarige Oorlog ontwijd zijn geraakt (en geplunderd) door rondtrekkende soldaten. De oorlogsomstandigheden verhinderden geenszins de voortgang van de katholieke eredienst. In 1612 sloten de Sterkselnaren een kontrakt met pastoor Frans Jan Jaspers uit Someren om in Sterksel te komen bedienen: op zon- en feestdagen en woensdags of vrijdags in de vasten, voor honderd gulden per kwartaal. In het kerkregister van Someren staat hij vermeld als rector van het Sterkselse St.-Anna-altaar (1626). De Sterkselse kapel had dus drie altaren: één gewijd aan Catharina, één aan Anna en één aan het H. Kruis.

Grenzend aan de kapel lag een kerkhof en om het geheel was een muur met een poortje.(50)  De kapel van Sterksel is op de kaart van Sterksel uit 1653 herkenbaar met een klein geveltorentje (zie de afbeeldingen). In 1510 had de abt echter bevolen dat het gemetselde geveltorentje werd vervangen door een houten dakruiter.(51)  In 1525 had men twee stuivers betaald voor het luidtouw, hetgeen op een klok wijst.(52) Op een gedrukte kaart van de Meierij uit 1638 is de kapel van Sterksel herkenbaar en inderdaad getekend met een dakruiter (zie de afbeelding).

(Wordt vervolgd)

 

Het wapen van de abdij Averbode, waarop het Lam Gods met een vaandel staat (zie 3 blz. hiervoor).

 

NOTEN

Gebruikte afkortingen:

AAA               Archief Abdij Averbode, Averbode (B); Sectie I.

ARA               Algemeen Rijksarchief, Den Haag.

ARAB            Algemeen Rijksarchief, Brussel; Kerkelijke Archieven Brabant. Camps H.P.H. Camps (bewerker), Oorkondenboek van Noord-Brabant tot 1312. I. De Meierij' van ‘s- Hertogenbosch (met de heerlijkheid Gemert), ‘s-Gravenhage 1979. -

GA                 Gemeentearchief.

SARE            Streekarchief Regio Eindhoven, Eindhoven.   

 

1           P.J .V. Dekkers, ‘Brandend zand. Hoe de hertog van Brabant zijn heerschappij op de Kempense zandgronden verwierf ten koste van de lokale en regionale adel’ in: Noordbrabants Historisch                Jaarboek 1995.

2           Leviticus 27: 30-33; Numeri 18: 21-32; Deuteronomium 14: 22-29.

3           Camps, nr. 105.

4           Camps, nrs. 87-88.

5           Dit wordt bevestigd door de opgravingen die de heemkundekring in 1991 onder begeleiding van de ROB gedaan heeft op de site van de middeleeuwse kerk van Heeze, vlak bij Leende (nu: "Oud Kerkhof"). Er werd enig significant Merovingisch en Karolingisch schervenmateriaal gevonden en verder vondsten uit de late twaalfde, vroege dertiende eeuw. Mondelinge mededeling van dhr. J. Broertjes van de Archeologische Werkgroep van Heemkundekring De Heerlijkheid Heeze-Leende-Zesgehuchten. Zie ook: Rijksdienst voor het oudheidkundig onderzoek. Jaarverslag 1991, Amersfoort 1992, 178.

6           Dom. de Jong, ‘De kerken en kapellen van Heeze’, in: A. van Oirschot (red.), Heeze, een heerlijkheid in Brabant, Heeze 1963, 37-71.

7           Dit bleek nog eens temeer in 1398, toen hierover kwestie ontstond met de parochie Someren. AAA, reg. 2, f. 202r-203v (4 december 1398).

8           Camps, nr. 188.

9           J. Le Paige, Bibliotheca Praemonstratensia Ordinis omnibus religiosis, Parijs 1633, 687.

10        P.J.V. Dekkers, ‘Hoe de abdij van Averbode haar grootste domein, Sterksel, verwierf en bestendigde (12de-13de eeuw), in: Analecta Praemonstratensia 72’ (1996), 92.

11        AAA, charter 3508 (29 juli 1562): Robert van Bergen, bisschop van Luik, geeft, op verzoek van de abt van Averbode, toestemming om in Sterksel een doopvont te stichten en er in de kerk het doopsel te bedienen.

12        Camps, nr. 213.

13        AAA, reg. 160, f. 70r (1414).

14        ARAB, inv.nr. 5019, f. 80r (1510).

15        ARAB, inv.nr. 5017, f. 6r (1375, Ter Braken): vier mud rogge "voor de tiend" (pro decima); reg.41, f. 6r-v (1490, Ter Braken): zeven mud rogge als tiend en 23 mud rogge voor de hoeve, samen dertig mud rogge pacht.

16        P. Lindemans, Geschiedenis van de landbouw in België II, Antwerpen 1952, 416 (Ten Poel, 1561): in de oigstmaent de tienden geven van alle de lammeren die hij en sijn sceper opvueden.

17        AAA, lias 98; reg. B10, f. 19; reg. B11, f. 2 (15 november 1622).

18        Bron: AAA, reg. 161 (1414-1440) en reg. 41 (1492-1498).

19        AAA, reg. 160, f. 35r (1412): zevenduizend bakstenen; reg. 161, f. 86r (1432, Ter Braken); reg. 161, f. 128r (1435).

20        AAA, reg. 16 (1410); reg. 161, f. 55r (1430): Meier Henricus betaalde timmerman Giselbertus voor vijftien dagen werk "voor het bouwen en funderen van een nieuwe kapel of voor de reparatie daarvan", in 1432 werkte de timmerman nog eens 98 dagen aan de kapel, met name aan het kerkkoor (f. 86v). In 1433 kreeg het kerkkoor een hek (f. 101r); in 1434 een zoldering met trap en een brug over de gracht (f. 128r).

21        AAA, reg. 2, f. 104v (10 december 1437). De hulpbisschop had de titel van bisschop van Rochester, dat inmiddels niet meer onder het gezag van Rome stond.   

22        ARAB, inv.nr. 5019, f. 80r (9 augustus 1510): Gielis van Bevekem van Ter Braken (meier) en Henrick Ghyben, kapelmeesters; AAA, reg. 13, f. 133r (1523): Jan Horcmans en Godfried Stoepkens, kapelmeesters.

23        AAA, reg. 12, f. 99 (13 november 1515); reg. 13, f. 133v (9 augustus 1525).

24        Zie voor Heeze: Heemkronijk 31 (1992), 159-169, en voor Someren: Heemkronyk 35 (1996). nr. 1.

25        G. Bannenberg, A. Frenken en H. Hens, De oude dekenaten Cuyk, Woensel en Hilvarenbeek in de 15de- en 16de-eeuwse registers van het aartsdiakenaat Kempenland, I, Nijmegen 1968, 191 (1459).

26        AAA, charter 3508 (29 juli 1562).

27        AAA: G. die Voecht, Kroniek van Averbode, 1642.

28        AAA, reg. 12, f. 101r (1519); reg. 13, f. 133 (1522).

29        AAA, reg. 32, f. 33.

30        AAA, reg. 32, f. 43.

31        AAA, reg. 2, f. 203.

32        AAA, reg. 160, f. 70, en reg. 161, f. 55 (1430): "voor heer Otto, die eens de kapel in Sterksel bediende". Vergelijk ook het necrologium van de abdij van Averbode (G. Slechten, Necrologium monasterii S. Mariae sanctique Joannis Baptislae in Averbode ordinis praemonstratensis, Averbode, [1985]) 13 juli: Octo sacellanus.

33        AAA, reg. 161, f. 55. 69.

34        AAA, reg. 161, f. 111.

35        AAA, reg. 161, f. 175v.

36        AAA, reg. 161, f. 184.

37        G. Bannenberg,  A. Frenken en H. Hens, a.w., II, Nijmegen 1970, 76, 78.

38        AAA, reg. 41, f. 36r-v.

39        ARAB, inv.nr. 5019, f. 70r (15 januari 1507).

40        ARAB, inv.nr. 5019, f. 80.

41        ARAB, inv.nr. 5020, f. 59-60 (1524); AAA, I, charter 3067 (1518); reg. 272,  f. 173v (1527).

42        AAA, reg. 362.

43        ARAB, inv.nr. 5015, f. 87.

44        AAA, reg. 23, f. 223v-224r (14 april 1612, kopie uit 1645).

45       AAA, charter 3067 (25 juni 1518). Deze rente verviel jaarlijks op 2 februari (Maria- Lichtmis) en moest door de kapelaan in andere erfrenten worden belegd. In 1609 blijkt een deel van deze erfrente (dertig stuivers) te komen uit een stuk grond onder Heeze over de Eymerijcker Dijck, geheten "het achten veltgen", ca. vijf lopensaat groot, zich uitstrekkende tot de Aa enerzijds en tot het cijnsgoed anderzijds, welk perceel in bezit was geweest van Andries Jan Delen. AAA, charter 2679 (afkoop van de rente d.d. 19 februari 1609). Een ander deel (vier gulden en tien stuivers) kwam van een land rogge onder Someren, dat in 1614 in bezit was van Enardt Peters van Leveroy en zijn vrouw Lysken, kleindochter van Bonyssen Thys. AAA, charter 3764 (afkoopakte d.d. 18 oktober 1614).

46       AAA, reg. 272, f. 173v (3 september 1527).

47       De kostbaarheid van dit boek wordt duidelijk als men bedenkt dat tezelfdertijd de nieuwbouw van hoeve Ter Braken twintig gulden kostte.

48       AAA, reg. 12 (f. 101r); reg. 13, f. 133r-v (25 april 1522; 9 augustus 1525); reg. 44, f. 7r (14 juni 1533).

49       AAA, charter 3869 (22 augustus 1619).

50       AAA, reg. 161, f. 164r (1438).

51       ARAB, inv.nr. 5019, f. 80r (1510): Item opten bueck van den capellen sal men een houten torreken maken om de clocke dairinne te hanghen, want het torreken, dat in den steynen gevel gemetst is, tot diversen tyden is vermaect ende nyet staende en blyft.

52         AAA, reg. 13, f. 133v (9 augustus 1525).  

Ga terug