Heemkronijk jaar:1974, jaargang:13, nummer:3+4, blz.29 -30

Een preekstoel gesloopt; een wandaad ja of nee?

door: A. Jansen.

Op een door ons gesignaleerde demontage van de Leender preekstoel werd in hetzelfde nummer van de Heemkronyk door de hoofdredakteur die alleen met zijn initialen ondertekende gereageerd. Hij betreurt deze demontage evenwel niet maar vindt het nog eerder prijzenswaardig. Nu vinden wij dat er best verschil van mening mag bestaan, maar zijn we niet allen voor het behoud van historische zaken? Men zou denken van niet hoewel we dit toch op zijn minst van elke heemkundige mogen verwachten. Ook hebben we in onze omgeving niet zoveel 17de eeuwse preekstoelen dat het verdwijnen van een exemplaar niet eens opvalt. lk zou denken dat de heer Aerts dit beter dient te weten. Maar schijnbaar weet hij dit niet, m.a.w. hij had zijn reactie beter door iemand anders kunnen laten schrijven. Misschien lijkt het voor de leze een haast persoonlijke aanval op de hoofdredakteur maar dit is het zeker niet. Dit is de rede waarom wij in het hierna volgende gedeelte zakelijk op zijn commentaar ingaan.

a). De duif van W. Pompe (1729) is beslist geen meesterwerk, alleen laat de dikke overschildering nog heel wat vermoeden, maar verder niets. Niet elke Antwerpse beeldhouwer is van hetzelfde formaat als b.v. een Artus Quellinus, een Duquenoys of een Michiel van der Voort de Oude. Bij deze laatste is W. Pompe overigens ook geruime tijd in de leer geweest (zie: M.E. Tralbaut, De Antwerpse "Meester Constbeldthouwer" Michiel van der Voort de Oude, Antwerpen 1950, bl. 279). Evenwel was Pompe zijn mindere, is er b.v. iets van Pompe dat het haalt bij het hoofdaltaar in de St. Sulpitiuskerk van Diest? Deze duif is ook nog een betrekkelijk vroeg werk van deze beeldhouwer (z'n vroegst gedateerde werk is van 1723; zie XI Jaarboek, 1935, van de Antwerpse Oudheidkundige Kring, blz. 145 t/m 186). Het is met zijn werken vaak zo gesteld dat ze hun waarde ontlenen aan de omgeving waarvoor ze gemaakt zijn en dat is in dit geval het klankbord van een preekstoel en of dat nu de preekstoel was van de "kleinkerk" of van die welke tot mei 1974 in de kerk van Leende stond doet er in feite niets toe. Bij een inventarisatie of een eventuele restauratie zou men er beslist achter gekomen zijn dat het hier een werkje van W. Pompe betrof. Dus zo gelukkig is deze ontdekking niet, tenminste niet als dit in ruil moet gaan voor een 17de eeuwse preekstoel.

b). Het fries is ook maar heel gewoon en zeker niet zo mooi als de schrijver stelt. Aan diverse meubelen komen vaak heel wat mooiere friezen voor, maar daar heeft hij geen oog voor anders wist hij beslist beter. Ook hier is het zo dat ze hun waarde ontlenen aan de plaats waar ze voor bestemd waren en dat is zeker niet de met koperen nagels getooide celebrantenzetel (op deze zetel komen we overigens nog terug).

c). De vijf gebeeldhouwde reliefs zijn voor onze ogen misschien wel het minst te genieten.

Maar nu moet ik als kunsthistoricus wel erg oppassen met een dergelijke uitspraak daar diverse publikaties op het gebied van de negentiende eeuwse kunst ons al vaak heel anders hebben leren zien. Zo is er b.v. iemand die nog spreekt van gevoelloze imitaties. Trouwens er was aan de kuip nog voldoende 17de eeuws werk om deze, afgezien van de reliefs natuurlijk, als dusdanig te herkennen. Zijn niet de getorste zuiltjes zeer kenmerkend voor het laatste kwart van de bedoelde eeuw. En tegenwoordig is het zo dat men waardevolle latere toevoegingen bij restauraties bewaard. In Leende van dit alles echter niets, hier ging men over tot gewetenloze sloop. En dit noem ik dan een wandaad en dat heb ik gesuggereerd in de titel van mijn stukje die echter door de redaktie door een nieuwe werd vervangen, zonder dat ik van deze verandering op de hoogte was gesteld.

d). De trap hoort tot een andere stijlfase dan de reliefs, dit houdt voor ons een tijdverschil in. Deze trap dateren wij in tegenstelling tot Aerts ca. 1800. De heer Aerts wil in de preekstoel een bijna onontwarbare puzzel zien, maar is dit de kerk van Leende soms niet.

Hier rept hij evenwel met geen woorden over, ook niet in het boek "Dy? Gheyt an der kyrcken van Leendt".

e). Of men kan spreken van een beeldenstorm laat ik in het midden, dit moet eenieder maar zelf beoordelen. Maar een feit blijft dat de kerk van Leende er heel wat kaler en onaantrekkelijker door geworden is. En het feit dat zo'n preekstoel niet meer fungeert behoeft ook niet noodzakelijk het verdwijnen ervan in te houden. Zo wordt de preekstoel in de Bossche St. Jan ook niet frequent gebruikt, of vergis ik me hierin? lk dacht van niet.

f). Die preekstoel fungeerde als architectuurbederver wordt notabene gesuggereerd.

Dit is op zijn minst zeer grof en zeker onwaar. Waarschijnlijk is de heer Aerts sinds mei 1974 niet meer in de Leender kerk geweest anders zou hij met mij spreken dat de celebrantenzetel waarover wij reeds spraken en die notabene nog op een verhoog is geplaatst ook het gehele zicht op de apsis, het belangrijkste gedeelte van de kerk al vanaf de vroegst Christelijke tijden, geheel wordt belemmerd. Dit is niet enkel de architectuur bederven maar nog banaal ook. Dit had hij en ook de architect en een ieder die daar verantwoordelijk voor is, dus ook de heemkundekring moeten weten.

g). Dan durft hij nog te zeggen dat Leende geen ramp is overkomen. Wie enigszins waarde hecht aan hetgeen wij hierboven schreven zal daar wel anders over denken. Natuurlijk zijn wij voor vernieuwingen en natuurlijk als de liturgie dit eist, maar het moet wel verantwoord zijn. Deze verantwoording dragen we met zijn allen.

Dus aangaande Leende kunnen wij naar mijn oprechte mening twee dingen eisen:

1. Het terugbrengen van de preekstoel in de toestand van voor mei 1974 en wel zo snel mogelijk.

2. Het zicht op de apsis niet belemmeren. Dit houdt op zijn minst verplaatsing van de celebrantenzetel in.