Heemkronijk jaar:2003, jaargang:42, nummer:1, pag:13 -18

“ST. VICTOR”, WEER 18 JAAR IN GEBRUIK

(als de muren konden spreken)

door Gerard Sturkenboom

 

Inleiding

Na een ingrijpende restauratie werd in 1984 de bergkorenmolen “St.Victor” aan de Leenderweg in Heeze weer in gebruik genomen. Voor de bekende onderzoeker A.F.N. van Asten was deze restauratie aanleiding om in de Heemkronyk de hem bekende historische gegevens te publiceren in een tweetal artikelen (1,2). Voor de meeste gegevens verwijst hij naar bronnen, veelal verkregen uit eigen onder- zoek. Uit de voetnoten blijkt overigens dat er vanaf 1965 regelmatig over deze Heezer windmolen gepubliceerd is. Trouwens ook over de andere windmolen - degene die eeuwenlang in bezit is geweest van de eigenaren van het kasteel Heeze - is met regelmaat in de Heemkronyk gepubliceerd.

De molen

AI voordat ik als molenaar ben aangesteld, heb ik vrijwel de gehele restauratie gevolgd en gedocumenteerd. Zodoende ben ik al een kleine 20 jaar als vrijwillige molenaar/beheerder actief met de molen “St.Victor”. In die tijd ben ik ook in andere tijdschriften en boeken diverse publicaties over de molen tegengekomen. Ik heb het idee opgevat om een boekje over de molen samen te stellen, waarin alle bekende gegevens eenduidig samengebracht zijn. Ik noem met nadruk ‘eenduidig’ omdat ik gemerkt heb dat de geschiedenis nog wel eens onrecht wordt aangedaan.

Aangezien ik dus met die gedachte van een publicatie rondloop, wil ik ook zo compleet mogelijk zijn. En dat is geen sinecure heb ik gemerkt! In mijn voorbereidingen ben ik op heel wat vragen gestuit. Slechts enkele heb ik tot nu toe kunnen beantwoorden; soms met honderd procent zekerheid, maar andere met een grote waarschijnlijkheid.

Als molenaar ben ik natuurlijk geïnteresseerd in het bouwwerk en de inrichting zelf. Ik realiseer me dat ik daarbij aan een vorm van beroepsdeformatie lijd. Misschien dat daarom niet alle besproken onderwerpen iedereen zullen aanspreken. In dit artikel wil ik ingaan op enkele vragen en antwoorden. Als referentie eerst even een opsomming van de belangrijkste data en gebeurtenissen. Ik zal hier in de loop van dit artikel (en de eventueel daarop volgende artikelen) regelmatig verwijzen naar dit “tijdskader”.

Jaartallen

- 1852: vermoedelijk bouwjaar; de molen werd gebouwd als wind-graan- en schorsmolen met daarbij een oliemolen (1); de molen kreeg dus drie functies, waarop ik in een later tijdsbestek terug zal komen.

- 1862: op 17 juli stond de molen in brand; de molen werd waarschijnlijk nog in hetzelfde jaar hersteld.

- 1887: afbraak van de oliemolen. Blijkens een vermelding in het boek De Brabantse Molens van S.H.A.M. Zoetmulder werden de onderclelen van de oliemolen, zijnde de twee slagheien met toebehoren en een tweetal kantstenen, door mulder Van Asten verkocht aan zijn collega M. van den Eynden voor diens in 1883/84 gebouwde windmolen te Nuenen (3). In het heemkundeblad De Drijehornickels van september 2000 tekent Kees Verkooijen op dat ‘op 21 maart 1887 Marcelis (GS: van den Eijnden) een verzoekschrift indient voor het oprichten van een wind-graan- en oliemolen’ en dat ‘op 23 april 1887 vergunning wordt verleend voor alles wat er al lang stond en de kennelijk als laatste toegevoegde oliemolen’ (4).

- 1904: op 24 december brandde de molen opnieuw af, waarbij ‘na ruim een uur er niet meer dan een stenen romp’ resteerde (1). Herbouw volgde waarschijnlijk direct daarna in 1905.

- 1942: herstellingen uitgevoerd door molenmaker Hub. Adriaens te Weert; tevens wiekverbetering aangebracht (5); de wiekverbetering waar het hier om gaat is het systeem van moleningenieur Chr. van Bussel, ook wel het Van Busselsysteem genoemd.   

- 1945: herstel van oorlogsschade (6).

- 1946: in het najaar is de molen voor het laatste op windkracht professioneel in bedrijf (7).

 

En dan nu de eerste vraag.

Is de molen ooit verhoogd?

De molen “St.Victor” heeft in vergelijking met de meeste andere bergmolens een bijzonder hoge berg. In het boek De Brabantse Molens (3) staat zelfs dat de molenberg een hoogte van 8 meter zou hebben. Uit eigen meting heb ik vastgesteld dat de berg met een kleine 7 meter weliswaar lager is, maar hiermee is de “St.Victor” samen met de molen van Ulvenhout toch de hoogste (nog bestaande) bergmolen. Evenals “De Korenbloem” in Ulvenhout herbergt de “St.Victor” in de berg nog een tussenzolder. De andere bergmolens, waarbij de hoogte van de berg varieert van 3 tot 4 meter, missen deze extra opslagmogelijkheid. In het in 1980/81 opgestelde restauratieplan“ wordt gesuggereerd dat de molen bij herbouw na de brand in 1904 een verdieping - in molens “zolder” genoemd - zou zijn verhoogd. Als verantwoording voor deze suggestie voert dhr. Gunneweg van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg een aantal argumenten aan:

a. Vanaf de luizolder is de stenen romp opgetrokken uit een andere steensoort (waalformaat) dan daaronder (veldbrandsteen).

b. De huidige tussenzolder zou 40 cm hoger gelegd zijn.

c. De draagbalk van de koning ligt haaks op de hartlijn van de lui-as en de luigaten, terwijl het gebruikelijk is dat deze schuin door de plattegrond van de steenzolder ligt. De draagbalk zou in twee oorspronkelijke raamopeningen van de - vroegere - luizolder neergelegd zijn.

d. De huidige bergdeur-openingen zijn later ingehakt. De openingen van de oorspronkelijk lagere bergdeuren zouden zich dichtgemetseld achter het pleisterwerk van de tussenzolder bevinden.

Er wordt overigens niet aangegeven waarom de molen verhoogd zou zijn. Normaal was een verslechterde biotoop (omgeving) de reden voor een verhoging van bestaande molens. Ook werden molens in het verleden verhoogd om meer opslagcapaciteit te creëren. Zouden deze redenen in Heeze ook aan de orde geweest zijn? Bij stenen molens die gedurende hun bestaan verhoogd zijn is dat vaak heel herkenbaar omdat de conische romp op een bepaalde hoogte overgaat in een cilindrisch gedeelte. Zo kon men namelijk de houten kap handhaven. Duidelijk is dat de romp van de “St.Victor” dit niet heeft. De suggestie van een verhoging na de brand van 1904 hangt samen met het feit dat de kap ten slotte toch vernieuwd moest worden. Dit zou dan gebeurd zijn door de kap met een kleinere diameter uit te voeren. Wat dat betreft was de redenering van dhr. Gunneweg dus sluitend. Alle vier aangevoerde - hierboven vermelde - argumenten hadden te maken met kenmerken in de muren van de stenen romp; weliswaar gedeeltelijk gebaseerd op vermoedens (d), gedeeltelijk ook op “voorbarige” conclusies. Waarom “voorbarige”? Ik zal dit toelichten aan de hand van eigen constateringen.

Allereerst is tijdens de restauratie in 1983/1984 een gedeelte van de berg aan de kant van de Leenderweg afgegraven; dit is de zuidoostelijke kant van de molen. Dit was nodig omdat de vleugelmuren aan beide zijden van de gemetselde toog opnieuw gemetseld moesten worden. Daarbij kwam de volledige toog en een gedeelte van de romp vrij te liggen; zie afbeelding 1. en 2.

Op afbeelding 1. is goed te zien dat na afgraving ter hoogte van de keermuur boven de toog op de romp een pleisterlaag zichtbaar werd in de vorm van een raam- of deuropening.

Ook aan de binnenzijde van de romp bevindt zich een nis in dezelfde vorm. In de huidige situatie lopen hier vandaan twee trekstangen die de keermuur borgen. In ieder geval zou hieruit de conclusie kunnen worden getrokken dat er zich ter plaatse een raam- of deuropening bevonden heeft van de veronderstelde vroegere meelzolder (nu een verdieping hoger). Echter, van andere dichtgemetselde openingen is niets teruggevonden. Ook niet toen in 1995 de bezetting van de tussenverdieping volledig werd kaalgekapt. Deze is daarna vervolgens weer aangebracht, echter met een kalkmortel, behorende bij het oorspronkelijke metselwerk van de romp.

Op afbeelding 2, een detailopname rond de toog, is in het voegwerk boven de linkermuur van de toog een rechte lijn zichtbaar. Duidelijk is dat hier eerder een muur tegenaan gemetseld is geweest. Dit heeft mij op het vermoeden gebracht dat de toog pas later aangebracht is. In ieder geval is duidelijk dat de oorspronkelijke muren aan weerszijden van de inrijpoort - vrijwel - even hoog geweest zijn als de huidige hoogte van de berg. De berg is dus voor het aanbrengen van de toog (in 1905?) al even hoog geweest als in de huidige situatie. Ik veronderstel dat er in de oude situatie - waarschijnlijk vanaf de bouw in 1852 - ter overbrugging van de muren een houten brug heeft gelegen. Aan de andere kant van de romp bevindt zich op de begane grond een dichtgemetselde toog van dezelfde afmetingen als diegene waardoor men nu de molen betreedt. Ik vermoed dat zich ook hier gelijksoortige muren en een brug bevonden hebben. Zoals nu nog op veel molens zou vroeger de “St.Victor” twee grote toegangen tegenover elkaar gehad hebben, wat praktisch was; men kon zo met paard en wagen de molen betreden en verlaten zonder achteruit te moeten manoeuvreren (lang niet met ieder paard was - en is - achteruit te rijden, als daar ook een wagen moet worden meegevoerd).

Met de hiervoor aangevoerde beredenering suggereer ik dus dat de molen aan de Leenderweg nooit verhoogd is en altijd zijn huidige hoogte heeft gehad. Met welke verklaringen kunnen dan de argumenten van dhr. Gunneweg (hierboven, a. t/m d.) weerlegd worden?

Vrij eenvoudig, met verwijzing van de gevolgen van de brand op 24 december 1904. Het moet een uitslaande brand geweest zijn, getuige de berichtgeving dat “na ruim een uur er niet meet dan een stenen romp” stond. Een molenromp werkt als een schoorsteen. De vlammen zullen door de aanwezige raam- en deuropeningen geslagen zijn. En wat te denken van de temperatuur aan de bovenzijde van de romp? Bij hoge temperaturen komen de stenen van de muren los te liggen en vallen de stenen rond de openingen gewoon los, in ieder geval als de stenen gemetseld zijn met kalkhoudende mortel (“tras”) zoals bij de “St.Victor”. Na recentere branden van stenen molens (Zuid-Beijerland/ “Lanzigt” in 1990 en Wolphaartsdijk/ "De Hoop” in 1995) bleek ook dat de bovenste gemetselde stenen los lagen. Dit verklaart dat in Heeze bij de “St.Victor” de bovenste paar meter opnieuw (met een nieuwere steensoort) gemetseld zijn. Argument a. vervalt met deze verklaring.

In 1994 zijn ook de muren op de meelzolder en steenzolder (de eerste 2 verdiepingen vanaf de berg) afgekapt om opnieuw bezet te worden. Op de kale muren was goed te zien dat rondom alle raam- en deuropeningen het metselwerk vernieuwd is met dezelfde steensoort als waarmee het bovenste gedeelte van de romp is gemetseld; zie afbeelding 3.

Al deze reparaties dateren zeer vermoedelijk van 1905 (de gebruikte steen van waalformaat duidt hierop; het is zeer onwaarschijnlijk dat deze steen al gebruikt zou zijn na de brand van 1862). Hiermee wordt argument d., zie hierboven, ontzenuwd.

Het onder argument c. genoemde vermoeden dat de draagbalk van de koning in twee oorspronkelijke raamopeningen neergelegd zijn, blijkt juist. Op afbeelding 4. is te zien dat naast de huidige (positie van) de draagbalk oorspronkelijk een vierkante uitsparing heeft gezeten die dichtgemetseld is. De huidige draagbalk ligt dus in 2 oorspronkelijke raamopeningen (de huidige, in de vorm van een raamopening, aangebrachte bepleistering aan de oostzijde van de huidige molen blijkt dus inderdaad de plaats van een vroeger raam te zijn). Maar omdat de oorspronkelijke opening van de draagbalk zich naast de huidige bevindt, wordt eens te meer aangetoond dat de steenzolder zich oorspronkelijk op dezelfde hoogte bevond, en ...... de molen dus zijn oorspronkelijke hoogte heeft (en nooit verhoogd is!). Waarom zou molenaar Antonius van Asten (tot de brand van 1904 pachter en na de herbouw eigenaar van de molen; zie bron 1.) de draagbalk op een gedraaide positie hebben laten herplaatsen? Als molenaar kan ik dit eenvoudig verklaren. Op de draagbalk bevindt zich het draaipunt van de steenkraan, waarmee voor het onderhoud van de molenstenen deze opgetakeld en gekeerd kunnen worden. Met de huidige positie van de draagbalk konden de oorspronkelijk twee aanwezige steenkoppels worden bereikt. Met de oorspronkelijke positie van de draagbalk was slechts een maalsteen te “lichten”; voor de andere zal een tweede steenkraan aanwezig geweest zijn (of moest de ene aanwezige steenkraan verplaatst worden; hetgeen niet erg praktisch was). Er ligt dus een heel praktische reden aan ten grondslag voor het feit dat de draagbalk in het verleden een verdraaide positie heeft gekregen. Dit hoeft overigens niet eens bij de wederopbouw in 1905 gebeurd te zijn.

Blijft over argument b., dat de huidige tussenzolder 40 cm hoger gelegd zou zijn. Deze verandering laat zich niet zo eenvoudig verklaren. Op dit moment kan ik hier (nog) geen verklaring voor bedenken. Wat is de functie van de opening achter de huidige keermuur geweest? Op deze vraag kan ik als antwoord suggereren dat hier vroeger materialen door naar binnen werden gestoken. De “St.Victor” is tenslotte ook schorsmolen geweest. Van oudere Heezenaren, vroeger betrokken bij de molen, heb ik vernomen dat op de eerste zolder schors opgeslagen lag; deze zolder werd dan ook de schorszolder genoemd.

Resumerend kan ik dus stellen dat de suggestie dat de molen in het verleden verhoogd is, onjuist is. De Heezer molen aan de Leenderweg (pas in de 20ste eeuw "St.Victor” genoemd) is altijd een hoge bergmolen geweest. De muren hebben in dit geval dus gesproken!

Tot slot nog wil ik met een korte toelichting een ander mysterie oplossen.

Waar komt de gietijzeren bovenas vandaan?

De grote gietijzeren molenas, waaraan de wieken bevestigd zitten, is niet oorspronkelijk voor de molen in Heeze gegoten. Dat kan geconcludeerd worden uit het feit dat de as zichtbaar aan de achterzijde is ingekort. In het boek De Brabantse Molens (3) staat; “as: gietijzer, lengte 4,68 (ingekort), fabr. e.d. onder de vullingstukken”. Deze as is waarschijnlijk ter vervanging van de vorige (nog houten as?) van elders overgekomen bij de herbouw in 1905. Dit was niet ongebruikelijk in die tijd. In het westen van ons land werden al vanaf het midden van de 19de eeuw molens afgebroken. Zo gingen de polders over op stoomaandrijving en (weer later) op diesel. Ook in de Zaanstreek, waar in het begin van de 19de eeuw nog 600 industriemolens stonden, werden veel molens afgebroken. De onderdelen, zoals wielen en assen, kwamen beschikbaar voor bouw en restauratie in het zuiden, oosten en noorden van Nederland. Soms werden gehele (houten, achtkantige) molens verplaatst. In de Zeilberg en Gemert staan er molens die oorspronkelijk in het westen hebben dienst geclaan.

Het is zeer aannemelijk dat de bovenas van de “St.Victor” (waarschijnlijk ook het bovenwiel dat er omheen zit) van een zgn. afbraakmolen afkomstig is. Om de herkomst te kunnen achterhalen is het nodig om de gegevens zoals gieterij (fabrikaat), nummer en jaartal te weten. Toen in 1994 het bovenwiel nieuwe kammen kreeg, waarbij het wiel om de bovenas opnieuw moest worden afgesteld, heb ik het vul- of vullingstuk dat de asgegevens afdekte losgemaakt. De gieterij bleek De Prins van Oranje te zijn, een gieterij, waarvan zich nog steeds honderden assen in bestaande molens bevinden. Als jaar van gieten vermeldde de as 1868 en als nummer 571. Verschillende nummers, die in de buurt zitten van deze 571, zijn van Zuid-Hollandse molens. Het lijkt dan ook waarschijnlijk dat deze as van een Zuid-Hollandse molen komt, ook gezien de constructie van het bovenwiel. Tot op heden    echter heb ik de oorsprong van de as niet kunnen vaststellen. Zo roept het antwoord op een vraag voorlopig weer een nieuwe vraag op. Heeze, december 2002  

 

NOTEN  

1  Heemkronyk, jaargang 22/3; “De molen in Heeze" door A.F.N. van Asten.  

2  Heemkronyk, jaargang 22/4; “De molen in Heeze (vervo1g)” door A.F.N. van Asten.  

3  De Brabantse Molens, 1973; door S.H.A.M. Zoetmulder.  

4  De Drijehornickels (Nuenen), september 2000; “Een verzwegen windmolen met een moeilijke start - De vroegste geschiedenis van windmolen De Roosdonck" door Kees Verkooijen.  

5  Vierde jaarboek 1943 - 1952 van De Hollandsche Molen, jaarverslag over 1942.  

6  De Molenaar; weekblad.  

7  Opgetekend naar een mededeling van Mevr, Drika Trouwen-Thijs (†1995), echtgenote van molenaar Louis Trouwen, aan ondergetekende.  

8  Bestek en voorwaarden betreffende de uit te voeren restauratie-werkzaamheden aan de ronde stenen beltkorenmolen “Sint-Victor“; opgesteld door J.T.M. Gunneweg namens de Rijksdienst voor de Monumentenzorg (11 mei 1981).