Heemkronijk jaar:2001, jaargang:40, nummer:4, pag:54 -57

EEN MIDDELEEUWSE WATERWINPLAATS OP GENOENHUIS

door: Jan Broertjes en Jacques van Laarhoven

 

Inleiding

In 1997 werd ten westen van de begraafplaats ‘t Zand een bouwput aangelegd ten behoeve van een basisschool “De Ganzebloem” (afb. 1). Nieuwsgierig als wij van de werkgroep archeologie waren, gingen wij daar natuurlijk eens een kijkje nemen. Het was in een droge periode van het jaar en de grond was droog. Dit veroorzaakte een vervaging van de grondsporen. Toch hebben wij grondsporen aangetroffen die antropogeen, d.w.z. door de mens, zijn ontstaan. We vonden een cirkel met een diameter van ongeveer 11 meter. Het vermoeden bestond dat hier wel eens resten van een waterput in zouden kunnen zitten. Er vond overleg plaats met de uitvoerder, waarin wij hebben gewezen op problemen die zouden kunnen ontstaan als hierop gebouwd zou gaan zorden. Een aantal deskundige personen uit de bouwwereld werd er bij gehaald. Onduidelijk en ook wel min of meer ondeskundig is hier over gedebatteerd. Ons advies was: haal de inhoud er min of meer snel uit en demp het ontstane gat snel met geel zand. De deskundigen trokken zich terug om een besluit te nemen. Ondertussen was een machinist van een graafmachine bereid om een kijkje te gaan nemen wat er ondergronds te beleven was. 

Het onderzoek

Van bovenaf werd laagje voor Iaagje met de graafmachine de grond verwijderd. Naar gelang de bodem natter werd, werden er houtresten zichtbaar. We zaten toen ongeveer 1-1.5 meter beneden de bodem van de bouwput, die ongeveer 1 meter beneden maaiveld lag. Bij het verder uitdiepen werden de houtresten steeds duidelijker en tot onze  verbazing bleken er resten van vijf waterputten in de grond te zitten. Het ging hier om uitgeholde eiken boomstamputten van ongeveer 0,55 tot 0,75 m doorsnede.

Hoe maakte men zo’n put? Er werd een boomstam gekliefd in twee of meer delen. Daarna werden deze stamdelen uitgehakt en uitgehold, waarna de buitenkant overbleef. Deze werden verticaal in het gemaakte gat in de grond weer tegen elkaar gezet en zonodig met wilgentenen bij elkaar gehouden. Toch kon bij hoge zijwaartse druk zo’n put in elkaar worden gedrukt, zeker als na het klieven er meer dan twee stukken zijn. Een put die uit twee delen bestaat Iijkt het sterkst. In de tijd die ons ter beschikking stond hebben we zo goed mogelijk de putten uitgegraven en de inhoud daarvan onderzocht en we hebben de aanwezige aardewerkscherven verzameld.

 

Resultaten

De resten van de waterputten betreffen die delen die permanent onder de grondwaterspiegel verbleven. In waterput 3 zijn enkele aardewerkscherven verzameld (afb. 2). Het gaat hier om geelbeige gekleurd aardewerk dat in Schinveld bij Brunssum is geproduceerd en tot het Limburgs aardewerk wordt gerekend. De datering hiervan is 10e-12e eeuw. In de andere waterputten werden geen aardewerkscherven aangetroffen. Een waterput komt als regel hij een woonhuis in die tijd voor. De bijbehorende boerderij hebben we niet gevonden. Wel zijn uit dezelfde tijd in de onmiddellijke omgeving plattegronden van boerderijen blootgelegd en ook bij een onderzoek op het naastgelegen kerkhof ‘t Zand werden resten uit die tijd gevonden. Het bijzondere echter was dat er vijf putten bij elkaar voorkwamen. Deze hebben niet gelijktijdig naast elkaar bestaan. Het gaat hier om het steeds weer vernieuwen en plaatsen van putten als daar aanleiding toe was. Een van de putten vertoont putresten in het midden van de put. Hier is de put mogelijk door zijwaartse druk in elkaar gedrukt en onbruikbaar geworden (foto 1, put 1 en foto 2)). Een andere put laat binnen een boomstamput een andere boomstamput met een kleinere doorsnede zien. Hier heeft men wellicht een nieuwe put in een bestaande put geplaatst (foto 1, put 5 en detail op foto 5).

 

Veel putten op één plaats

De vraag is waarom hier zoveel putten op een plaats voorkomen. Ons vermoeden is dat dat met de plaatselijke geologische situatie te maken heeft. Tijdens de laatste ijstijd werden als gevolg van afwisselend dooien en vriezen (kryoturbatie) de in de grond aanwezige leem - en zandlagen door elkaar gekneed. Hierdoor ontstonden er als het ware lekken in de leemlaag. Als hieronder het grondwater onder zekere spanning staat, dan is zo’n plek bij uitstek de plaats om een waterput te plaatsen. Deze grondwaterkwel verzekerde de mens van water. Als zo’n plaats dus voor de bewoners een belangrijke plaats is, zal men graag deze plek gebruiken en zonodig zoals in dit geval deze natuuriijke “bron‘ benutten. Dit zou in de volksmond een waterader kunnen zijn.

 

Conclusie  

Een serie van vijf waterputten in één ingraving komt zelden voor. De ouderdom was redelijk te dateren aan de hand van de aardewerkfragmenten die vooral behoren tot het Limburgs aardewerk dat dateert uit de 10e-12e eeuw. Omdat in de naaste omgeving veel onderzoek is gedaan, waarbij ook een aantal waterputten is gevonden, past dit puttencomplex goed bij de bewoning uit die tijd. Dank zij onze waarnemingen werd een zwakke plek in de bodem gevonden die voor  de bouw van de school slecht had kunnen uitvallen als deze putten onaangeroerd waren blijven zitten. In het gat is later geel zand gestort en verdicht, waardoor de draagkracht voor de school voldoende was. De architect heeft nog gevraagd of er meer van deze voor hen zwakke plekken voorkwamen, maar deze waren er niet. Zo zie je maar weer dat bemoeienis van archeologen bepaald niet nadelig is en zelfs zijn voordeel kan hebben.