Heemkronijk jaar:2001, jaargang:40, nummer:4, pag:45 -48

DE VERERING VAN SINT JAN DE DOPER

door Jac. Biemans

 

Aan de verering van St.Jan de Doper in de middeleeuwse St.Janskapel kwam in 1648 een einde, na de onttrekking van het gebouwtje aan de katholieke eredienst. In 1845 werd de nog resterende ruine van de kapel opgeruimd, waarna een nieuwe kapel werd gebouwd en ook de bedevaart weer tot leven kwam. Juist toen in de jaren zestig de ontkerkelijking in Nederland begon toe te nemen, herleefde de jaarlijkse St.Jansviering met een min of meer folkloristische wijding van St.Janstrossen die nog steeds een grote toeloop van gelovigen uit omliggende plaatsen trekt.

 

Topografie

- Net buiten het gehucht Strijp hij Leende, meestal als Leenderstrijp aangeduid, staat op een heuvel met bomen een kapelletje. De eerste vermeldingen van een kapel van St. Jan te Leende dateren van kort na het jaar 1400. De kapel was aanvankelijk toegewijd aan Johannes de Doper en Johannes de Evangelist, later enkel aan eerstgenoemde.

Het gebouw stond destijds nog niet onder toezicht van de parochiekerk in Leende, waarvan het klooster Keizersbosch het benoemingsrecht bezat. De heer van de heerlijkheid Heeze en Leende bezat het beneficie van de kapel, had het collatierecht waardoor hij de rector ter benoeming kon voordragen en stelde de kapelmeesters van de Strijpse kapel aan. Mogelijk is de kapel dan ook op initiatief van een van de heren van Heeze en Leende tot stand gekomen. In de omschrijving van de rechten van de heerlijkheid Heeze-Leende uit 1440, is sprake van de betaling door de heer van een jaarlijkse erfrente van 7 mud rogge aan de rector van de ‘Sent Jans capelle te Leende’, waarvoor deze drie missen per week moest lezen.

De kapel bezat volgens 16e-eeuwse gegevens bovendien twee (zij-)altaren; dat van St. Anna en dat van het H. Kruis. De missen voor het H. Kruisaltaar werden door de omwonenden betaald; de inkomsten van het St. Anna-altaar werden bijeengebracht door een gelijknarnig gilde.

- Het eenbeukige gebouw in gotische stijl bestond uit een rechthoekig schip met een laag, zeshoekig torentje en een veelhoekig koorgedeelte dat smaller was dan het schip. Na de Vrede van Munster in 1648 kwamen kapel en benificie in protestantse handen. Zeker tot in de jaren dertig van de 18e eeuw werd de kapel regelmatig hersteld, daarna raakte zij langzaam in verval. Aan het einde van de 18e eeuw stonden er nog slechts enige muren overeind. De katholieken van Leenderstrijp verzochten in 1796 dan ook om een nieuwe kapel te mogen bouwen. Ze gebruikten als argumenten dat er altijd een kapel geweest was, dat de afstand tot de parochiekerk in Leende groot was en de wegen slecht. De pastoor van Leende ontkende in een brief aan de apostolisch vicaris van ‘s-Hertogenbosch beide laatste arguinenten en zei op zijn leeftijd niet bereid te zijn in Leenderstrijp de mis te gaan doen. Hiermee lijkt de de zaak te zijn afgedaan; in ieder geval duurde het nog bijna een halve eeuw voordat er een nieuwe kapel tot stand kwam in Strijp.

- In 1843 werd de bouwval van de middeleeuwse kapel gesloopt. Volgens sommige bronnen (o.a. Schutjes) werd daarbij een schat aangetroffen, waarvan de opbrengst aan de vinder en de nieuwe kapel werd besteed. Kort daarna werd de kapel gebouwd die er nu nog staat; een eenvoudig vierkant gebouwtje met een puntdak en twee kleine zijraampjes. In 1975 werd de kapel gerestaureerd door een groep gildebroeders van St. Jan onder leiding van de architect van het bisdom.

 

Cultusobject

- De parochie St. Petrus’ Banden te Leende bezit twee relieken van St. Jan Baptist en een van St. Jan Evangelist. Een fragment van de schedel (‘ex cranio’) van S. Joannis Baptistae is bevestigd op een meerkleurig stuk papier op een rode stoffen achtergrond. Het geheel is geplaatst in een rond doosje van zilver ((diam.  4 cm). Het bijbehorende echtheidsformulier is opgesteld door abt Martinus van de Abdij van Westmalle en gedateerd op 18 januari 1859. De tweede reliek is een botrest (‘ex ossihus’) van de heilige, bevestigd op een meerkleurig papiertje op een goudkleurige stoffen ondergrond. Het koperen doosje (diam. 4 cm) heeft een eenvoudig versierde bovenrand en is aan de onderzijde open. Hierdoor is het sluitzegel en het nummer 10.033 zichtbaar. Het bijbehorende echtheidsforinulier is uitgegeven door bisschop Joannes Josephus Faict van Brugge op 3 mei 1878.

- Het voornaamste cultusobject is de beeltenis van het hoofd van St. Jan de Doper op een bord of schotel in een nis tegen de achtenvand van de kapel. Dit beeld herinnert aan de onthoofding van Johannes de Doper in opdracht van koning Herodus uit liefde voor de mooie  Salomé, die hem tijdens een dans het hoofd op hol had gebracht. De oorspronkelijke eikenhouten St. Jansschotel dateerde vermoedclijk uit het begin van de 16e eeuw. Toen in 1971 in het kerkbestuur van Leende de restauratie van beelden aan de orde kwam, werd ook gewezen op de Strijpse St. Jansschotel. In 1972 word de schotel door restaurateur W.J.Mares uit Maastricht gerestaureerd. Daarbij werden verschillende verflagen verwijderd en werd de oudste, 18e-eeuwse polychromie hersteld. Eind 1975 werd de schotel echter gestolen. In 1978 werd naar het oude voorbeeld een nieuwe schotel uit hout gesneden door J.C. de Groot en beschilderd door J. Louwers, beide  broeders van het St. Jansgilde. Tijdens de openluchtmis ter ere van St. Jan op 24 juni 1979 werd de schotel ingewijd. Deze replica werd eind november 1981 gestolen. Een derde schorel werd opnieuw vervaardigd door J.C. de Groot en beschilderd door gildelid M. Farjon. Deze laatste zorgde ook voor de beschildering van het vierde, betonnen exemplaar dat in 1985 in de kapel is vastgemetseld. De houten schotel is elders opgeborgen. Op St. Jansdag 1985 werd deze tweede opvolger van de  originele St. Jansschotel bij de kapel ingewijd.

- In 1997 werd een beeld van St. Jan de Doper uit de kapel ontvreemd.

 

Verering

- Gramaye schrijft in 1610 over de kapel in Leende dat deze beroemd is vanwege de wonderen die daar zijn geschied dankzij Jan de Doper en Jan de Evangelist. Tussen 1648 en 1795, de Staatse periode, was de kapel echter in gehruik hij de protestanten en waren bedevaarten en processies officieel niet toegestaan.

- In nauwe verbinding met de kapel stond ook het in 1645 in Leenderstrijp heropgerichre gilde ter ere van St. Jan Baptista. De bekommernis om het in deze srreken in de verdrukking rakende karholicisme zou daarvoor mede een aanleiding kunnen zijn. Volgens de kaart van deze broederschap geschiedde de oprichting ‘uuyt liefden en eendracht van St. Jan Baptista rustende in der proch van Leende tot Strijp in St. Jans kapelle’.

- In 1671 verklaarden de schepenen van Heeze en Leende op verzoek van de heer van de heerlijkheid dan ook dat er in Leenderstrijp ‘een schoone capelle’ staat ‘tot gerieff van de nabueren aldaer die ontrent de tachtentich huijsen sterck sijn ende is eene combijnatie van de predikant van Leende, die somwijlen daerinne is leerende’. Mogelijk werden de oude St. Jansschotel en andere kerkelijke eigendommen tot circa 1795 bewaard door leden van het St. Jansgilde. Vanaf de jaren dertig van de 18e eeuw kon, als gevolg van bouwvalligheid, steeds minder gebruik worden gemaakt van de kapel.

- Na de totstandkoming van de nieuwe kapel in 1843 bloeiden ook de bedevaarten naar de plaats weer op. Veel mensen bezochten de kapel op de dag van St. Jans Onthoofding, 29 augustus. In 1856 informeerde Justitie nog bij de burgemeester van Leende of de bedevaarten op ‘onderscheiden tijdstippen’ naar de kapel reeds voor 1848, de datum van de invoering van het processieverbod, een aanvang hadden genomen.

- Op de feestdag van St. Jan, 24 juni, trok het gelijknamige Strijpse gilde naar de kapel. Ook door de week, met name op vrijdagen, bezochten diverse bedevaartgangers individueel de kapel. St. Jan werd vanwege zijn onthoofding met name aangeroepen tegen hoofdpijn. Om hiervan verlost te worden dienden de bedevaartgangers op de ochtend van 24 juni met hun zakdoek de dauw van planten en bloemen te verzamelen. Dit in een flesje uitgewrongen ‘St. janswater of -dauw’ zou helpen tegen hoofdpijnen en oogaandoeningen. In de loop van de 20e eeuw ontstonden de eerste georganiseerde groepsbedevaarten. Vermoedelijk in de jaren dertig organiseerde een kapelaan uit Leende op de avond van 24 juni jeugdtochten naar de Strijpse kapel. Onder het zingen van het Leender volkslied trok men dan de Kapelberg op waar, na een kort gebed, de St. Janstrossen werden gewijd.

Op de dagen van St. Jan (24 juni (geboorte) en 29 augustus (onthoofding)) werd de kapel door veel bedevaartgangers bezocht. Missen werden in Leenderstrijp toentertijd niet opgedragen en pogingen in 1880 en 1930 om tot de oprichting van een eigen parochie te komen, mislukten. In 1955 werd het slapende gilde St. Jan Baptista nieuw Ieven ingeblazen en een nieuwe schutsboom geplaatst op een terrein achter de kapel. Vanaf die tijd ging de kapel opnieuw een belangrijke roI spelen voor deze vereniging.

- Pas sinds 1962 wordt in Leenderstrijp op St. Jansdag jaarlijks een eucharistieviering in de openlucht gehouden. Die dag, 24 juni, is de feestdag van het gilde van St. Jan Baptista dat een belangrijke bijdrage levert aan de viering. De viering is ingevoerd op initiatief van gildebroeder J. Hulsen die de pastoor van Leende hierom had    gevraagd als tegenprestatie om kerkbestuurder in deze plaats te worden. Het bisdom verleende zijn goedkeuring aan de jaarlijkse mis met wijding van St. Janstrossen. Van deze bloementrossen maken in Strijp naast het naamgevende St. Janskruid meestal ook notenblad, (konings-)varen, korenbloem, margriet, koekoeksbloem, vergeetmijniet, een zeggesoort, een witte en een rode roos, Spaans gras en viooltjes deel uit. De tros zou bescherming bieden tegen boze geesten en gevaar, zoals brand, bliksem en ziekte. Vandaar dat na de zegening de tros naast de huisdeur wordt gehangen. Daar blijft de tros hangen tot er na een volgende St. Jansviering een nieuwe voor in de plaats komt.   

- Tijdens de St. Jansviering trekt het gilde met vliegend vaandel en op gildemarsmuziek met slaande trom vanuit het gildehuis naar de kapel, gevolgd door schooljeugd en andere bedevaartgangers waarvan velen voorzien zijn van St. Janstrossen. Bij de kapel, waarin de celebrant zich heeft omgekleed, voegen priester, misdienaars en lector zich bij het gezelschap en trekken zo naar de plaats van de mis aan de voet van de Kapelberg. Sinds het einde van de jaren tachtig wordt gebruik gemaakt van de door de Leender toneelvereniging KNAL beschikbaar gestelde open Wagen. Na de preek worden de St. Janstrossen gewijd; alle aanwezigen houden de bloemenbos in de lucht, waarna de pastoor deze met wijwater besprenkelt.

- Het bezoekersaantal is de laatste jaren stabiel gebleven en schommelt tussen de 300 en 500 personen, afkomstig uit Leende, Budel en directe omgeving. De inkomsten uit het beneficie van de kapel van Leenderstrijp werden in 1974, toen het 500-jarig bestaan van dc Leender kerktoren werd herdacht, door de baron van Heeze aan de kerk van Leende overgedragen. De kapel staat gedurende het jaar open voor bezoekers.

 

BRONNEN

A1  Leende, parochiearchief St. Petrus‘ Banden: map 3, brieven pastoor Van Gastel  1796-1802; memorieboek pastoor Kuijpers 1812- 1853; memoriale en notulen pastoor van Loon 1969-1979, ‘s- Hertogenbosch, bisdomarchief: parochiedossier  St. Petrus. doos ll. map A. Eindhoven, Regioarchief: administratief archief Leende, inv.nr. 2076 (1856/1877).

A2  G. Bannenberg. A. Frenken & H.Hens ed., De oude dekenaten Cuyk, woensel en Hilvarenbeek in de 15de- en 16de eeuwseregisters van het aartsdiakenaat Kempenland, . 2 dln. (Nijmegen: Gebr. Janssen, 1968-1970) dl. 1, p. 204, dl. 2. p. 305.

B  J.B.Gramaye, Taxandria in qua antiquitates etc. (Brussel: Rutger Velpius, 1610) p. 84; j.A. Coppens, Nieuwe beschrijving van het bisdom vsn’s-Hertogenbosch etc., dl. 3 (‘sHertogenbosch: J.F. Demelinne, 1843) p. 104-105; L.H.C. Schutjes, Geschiedenis van het bisdom ’s-Hertogenbosch, dl. 4 (Sint-Michielsgestel: Instituut voor Doofstommen,  1873) p. 681-682; W. Meindersma, De heerlijkheid van heeze, Leende en Zesgehuchten (Zaltbommel: Van de Garde, 1911) p. 20; Dominicus de jong ed., Kronyk of aantekening der merkwaardige voorvallen binnen de gemeente Heeze en eenige omliggende dorpen en enkele welken algemene belangstelling verdienen  (Achel; Achelse Kluis, 1953) p. 15; J.P. Bik, Feest- en vierdagen in kerk- en volksgebruik, dl. 3 (Velsen: Th.F.Wolfs,  1958) p. 27; M. de Meyer, Volkskunde-Atlas voor Nederland en Vlaams-België. Commentaar bij de kaarten 21-29 Volksgeneeskunde, stuipen, hoofdpijn, beschermheiligen en bedevaarten etc. Aflevering III (Utrecht-Antwerpen: Standaard, 1968) p. 36; Jan H.M. Aerts & J.R. van der Zanden, Leende in oude ansichten  (Zaltbommel: Europesc Bibliotheek, 1972) nr. 23 en 24; Willem Iven & Teo van Gerven, Lind dè is de sgonste plats. Natuur en landschap van Leende, een Oost-Brabants dorp. (Leende; eigen beheer, 1974) p. 139-143; Sjef van der Zanden e.a., Dyt gheyt aen der Kyrcken van leendt. Geschiedenis van Leende (Leende; Stichting  Torenfeesten, 1974) p. 104-121, 143-151; ‘De Sint-Jansviering te Leenderstrijp’, in Heemkronyk 16 (1977) p. 12-13; W..H.Th. Knippenherg, Devotionalia Religieuze voorwerpen uit het katholieke leven, dl. 1 (Eindhoven: Bura Boeken, 1980) p. 207-212; P.J.Margry, Bedevaartplaatsen in Noord-brabant (Eindhoven; Bura Boeken, 1982) p. 199-201, 341; W.H.Th. Knippenberg, Devotionalia Religieuze voorwerpen uit het katholieke leven, dl.2 (Eindhoven: Bura Boeken, 1985) p. 190; H,Jaspers, ‘Enkele volksdevoties over de grenzen van ons heem’, in: Aa-kroniek 8 (1989) p. 106-108; H. Jaspers, ‘De naam Sint-Janskruid en de folklore rond dit kruid’,  in: Aa-kroniek 12 (1993) p. 93-97; Max Farjon, Het gilde St.Jan Baptista & Leenderstrijp, 350 jaar historie en gebruiken (Leenderstrijp: Sponsorcommissie Gilde St.Jan, 1995) p. 261-265; J.W. Hagen, ‘Een duik in het Klokkeven? Feit en fictie aangaande de klokjes van Leenderstrijp‘, in: Heemkronyk 35 (1996) p. 91-107; Gerard Rooijakkers. ‘Waarom met St.Jan de huizen met bloemtrossen versierd worden’, in:  Eric Kolen & Lily Hollanders ed., De sgonste parel van Brabant. Een kleurrijk mozaiek gevormd door Heeze-Leende-Sterksel (Geldrop-Leende: Bureau Erasmus en QF Druk/Vorm?Boek, z.j. [1997] p. 51-54; L.C.B.M. van Liebergen & W.P.C. Prins ed., Sanctus. Met heiligen het jaar rond (Uden: Museum voor  Religieuze Kunst, 1997) p. 38-40; Jean Coenen, Leende. Geschiedenis van een dorp met een ondernemende bevolking (Leende-Geldrop: Rabobank & J.C.G.W.Coenen, 1997) p. 53-54, 79-80, 83, 148-151. 154, 242-245.

C  PJMI BiN-dossier Leenderstrijp; PJMI VKVL64b (1993)

 

Bovenstaand artikel is met toestemming overgenomen uit Peter Jan Margry en Charles Caspers, Bedevaartplaatsen in Nederland deel2: Provincie Noord-Brabant, Amsterdam - Meertens Instituut, Hilversum-Uitgeverij Verloren (1998).

Typografisch is het enigszins bewerkt.

Redactie Heemkronyk.