Heemkronijk jaar:2000, jaargang:39, nummer:5, pag:209 -225

PENNENPROEVEN, SPREUKEN EN MEER DAN ZES GEHUCHTEN

door Sjaak de Waal 

 

Oude registers uit archieven en bibliotheken kunnen om andere redenen dan enkel het doel waarvoor ze zijn aangelegd van belang zíjn. Want soms is de band, het schutblad of het bindmateriaal ervan op zichzelf al interessant genoeg. In de loop der tijden is menige verrassende ontdekking op een onverwachte plaats in een oud protocol of een middeleeuws handschrift gedaan. Dat is bekend. Aan een dergelijke vondst danken we immers het oudste letterkundige zinnetje in onze moedertaal, het fameuze:

Hebban olla uogala nestas hagunnan hinase hi(c) [e]nda thu uu[at] (u)nbida(n) (uu)e nu.

Het fragment wordt in modem Nederlands meestal als volgt vertaald: "Alle vogels hebben hun nesten begonnen (zijn begonnen hun nesten te bouwen) behalve ik en jij; wat (waarop) wachten we nu?"

Dit tekstje werd pas in 1931 ontdekt in een Oudengels handschrift van de Bodleian Library te Oxford.(1) Er werden naderhand onderling nogal afwijkende interpretaties van de betekenis gepubliceerd. Gezaghebbende geleerden dateerden het fragment uit het begin van de twaalfde eeuw; een aantal zag er een minnedichtje in.

 

Pennenproeven

Aan de opvallende letterkundige ontdekking van 1931 in Oxford moest ik denken toen mij op het eerste blad van een zeventiende-eeuws protocol uit het schepenbankarchief van Maarheeze, Soerendonk en Gastel ook een oude versregel opviel.(2) Midden op dit blad (zie blz. 208) is een symmetrische figuur getekend waarin ik bloemmotieven herken. Links onderaan staat, op zijn kop, een dichterlijke oude tekst van vijf regels:   

Doen ick dat schref,

doen stondt ick en

docht, waer ick mijn

schone lief en

sprecken mocht.

De zin betekent: "Toen ik het schreef stond ik te denken waar ik mijn mooie liefje kon spreken".

Het is onbekend waar deze tekst op slaat. Is het een stuk van een inmiddels vergeten of verloren gegaan oud gedicht of lied van onze voorouders? Niet dat zo'n fragment nu direct een opzienbarende of letterkundige ontdekking genoemd kan worden, maar intrigerend is het wel.

Misschien gaat het hier om een pennenproef van de secretaris of klerk die zijn ganzenveer oefende om te schrijven. Daar zijn meer voorbeelden van bekend. Het schepenbankarchief van Helmond bevat een aantal eeuwenoude protocollen met perkamenten kaft. In die banden kan men allerlei zaken aantreffen zoals versneden charters voor bindmateriaal of perkamenten verstevigingsbladen afkomstig uit oude misboeken. Jammer genoeg zijn lang niet alle bijzondere aantekeningen erop te ontcijferen. Anders is dat bij een fragment uit een protocol over de jaren 1414-1420. Daar staat op het laatste blad onder meer een zinnetje in middeleeuws Frans met zowaar een notenbalk er boven, wellicht neergepend door een muzikale stadssecretaris.(3) Talent me pryst de chanter comme li kuku, leest men, wat zoveel betekent als: "Mijn talent laat me zingen als de koekoek". Men oordele zelf over de bekwaamheden van degene die deze regel vermoedelijk met zelfkennis opschreef; de erbij genoteerde muziek kan in dit verband nog verrassingen in petto hebben.

 

Spreuken

Bepaalde secretarissen waren gewoon om een rechterlijk protocol met een soort spreuk te beginnen. Zo schreef secretaris Jacobus Fabri uit Helmond rond 1623 op het titelblad van zijn protocol in het Latijn het begin van de eerste psalm:(4) Deze regels in het Latijn kan men in het Nederlands als volgt vertalen: "Gelukkig de man die niet wandelt naar de raad der goddelozen en niet staat op de weg der zondaars, en niet zit temidden der spotters; eerste psalm van David."

Het valt op dat het Latijnse woord pestilentia in geen enkele uitgave die ik van de psalmen ken, in deze samenhang vertaald wordt met de Nederlandse woorden 'pest' of 'besmettelijke ziekte', zoals men zou verwachten, maar met het ongebruikelijke 'spotters'. Toch zal Jacobus Fabri de regels in het protocol geschreven hebben wegens de zinsnede ...et in cathedra pestilentiae non sedit, die de lezer hier letterlijk diende te verstaan als: "...en niet zit op de stoel van de pest", aangezien destijds, toen hij als secretaris aantrad, de bevolking van Helmond erg te lijden had van de gevaarlijke besmettelijke ziekte de pest.(5)

Een voorganger van Jacobus Fabri was Peter van Lieshout, die in 1568 secretaris van Helmond werd. Op het voorblad van een protocol noteerde hij Omne solum viro patria, wat wil zeggen: "Het hele aardrijk is voor de man een vaderland".(6)

Er waren ook secretarissen die de Latijnse citaten meer op hun ambt toespitsten, zoals de Helmondse secretaris Giderac van Oyenbrug uit de eerste helft van de zestiende eeuw, aan wie vermoedelijk de volgende behartenswaardige woorden mogen worden toegeschreven, hier in een Nederlandse vertaling: "Een voortreffelijk secretaris is volmaakt nauwkeurig tot in het kleine toe; hij is goed, voorzichtig, ijverig, volhardend, zeer getrouw in het bewaren van het geheim, nuttig voor de stad; afkerig van grote maar niet van kleine verdiensten; vriendelijk in de omgang, ernstig van stijl, begaafd met kunst en wetenschap; vlug van geest en vlug van pen."(7)

Een beruchte uitlating noteerde secretaris Wolph of Wolphart Idelet in 1627 op het eerste blad van een Somerens protocol. Bedoeld wordt de volgende tekst: Someren est pagus in quo nullus ordo sed sempiternus horror inhabitat. Expertus potest credere. Vrij vertaald betekent dit in het Nederlands: "Someren is een dorp waar volstrekt geen orde maar voortdurende verschrikking huist. Wie het ondervonden heeft kan het geloven.”(8) Een pennenproef of een spreuk als die andere kan men deze ontboezeming wel niet noemen. Idelet moet een verbitterd man zijn geweest dat hij zich zo liet gaan. Someren een 'horror'-dorp? Zouden we daaraan soms de zegswijze "Van Zurnmere en niet bangl" te danken hebben?

Someren gaat in het jaar 2001 vieren dat hertog Jan II van Brabant dit dorp, volgens het gemeentebestuur, op 2 juli 1301 stadsrechten heeft verleend. Hoewel er vraagtekens bij die 'stadsrechtverlening' geplaatst kunnen worden, is er een Stichting Someren 700 jaar Stadsrechten gevormd.(9) Een speciaal ontworpen logo moet de dynamiek van Someren uitstralen. Er komt een herdenkingsboek en in juli 2001 wordt er een feestweek gehouden. Dat Someren na de verlening van die 'stadsrechten' niet is uitgegroeid tot stad deert de huidige inwoners niet. Someren est pagus... schreef de gekwelde secretaris van Someren in 1627. Stad of dorp, het maakt de Somerense gemeenschap anno 2001 kennelijk niet uit. Die is er eerder trots op het dorps karakter behouden te hebben. De festiviteiten in het jubileumjaar kunnen de beledigende opmerkingen van Wolphart Idelet over Someren logenstraffen.

 

De Septemvicis – Van Zevengehuchten

Als laatste voorbeeld van dergelijke spreuken, deviezen of motto's in het Latijn noem ik hier een zin die ik aantrof op het titelblad van een protocol, dus een register met akten, in het archief van de schepenbank van Heeze, Leende en Zesgehuchten. De zin luidt Discite iusticiam, moniti, & non temnere divos, wat zoveel betekent als: "Leert rechtvaardigheid, gewaarschuwden, en minacht de goden niet".(10) De eerste helft, Discite iusticiam, moniti, staat van beneden naar boven links in de marge van het blad; de tweede helft, & non temnere divos, staat van boven naar beneden rechts in de marge.

In het midden van dit titelblad valt een logo op waarvan ik met de nodige fantasie de in elkaar geschreven letters C, P, A en M reconstrueer als beginletters van de woorden: Commentarius, Protocollum, Arnoldum Melchioris, welke woorden in de titel van het protocol te vinden zijn. Want behalve de genoemde twee spreuken of motto's lees ik op dit blad de volgende tekst in het Latijn:

Com(m)entarius ac protocollum rerum iudicialium in iudicio de Heze, Leende & Septemvicis, actarum conscriptus per Arnoldum Melchioris, a secretis eiusdem iudicii.

Heze, anno reparatae salutis millesimo sexcentesimo tertio.   

Mijn vertaling van deze woorden in het Nederlands luidt: "Verslag en protocol van rechtszaken bij de rechtbank van Heze, Leende & Zevengehuchten, van akten opgesteld door Arnoldus Melchiors, secretaris van dezelfde rechtbank.

Heze, in het jaar van het herstelde heil duizend zeshonderddrie."(11) 

Toen ik deze tekst had aangetroffen wilde ik de geschiedenis van de plaatsnaam Zesgehuchten nader onderzoeken. Daarbij ontdekte ik dat aan wijlen A.F.N. van Asten het titelblad van het bewuste protocol al was opgevallen en dat hij in 1971 had gewezen op het gebruik van het woord Septemvicis door secretaris A. Melchiors. Van Astens artikel bleek nog te zijn gevolgd door een reactie van J. Coenen in 1973.(12)

Arnoldus of Arndt Melchiors was secretaris van de schepenbank van Heeze, Leende en..... Zevengehuchten, zoals hij zelf in 1603 in het Latijn schreef. Jammer genoeg vertelde Melchiors er niet bij welke kernen hij tot die Zevengehuchten rekende. Maar dat hij deze benaming voor een deel van de heerlijkheid bezigde, duidt op onzekerheid die vroeger over het aantal gehuchten heeft bestaan.

Kan men Zesgehuchten, het Zevengehuchten in het Latijn van Arnoldus Melchiors, een dorp noemen, met een kern? In het jaar 1810 ontstond in ieder geval een gemeente met de naam Zesgehuchten, die in het jaar 1921 werd samengevoegd met Geldrop.(13) Zesgehuchten veranderde door annexatie in een grote wijk van de gemeente Geldrop.

Zoals bekend maakte Zesgehuchten vóór 1810 deel uit van de Heerlijkheid Heeze, Leende en Zesgehuchten. Algemeen wordt tegenwoordig aangenomen dat tot Zesgehuchten behoorden: Genoenhuis, Gijzenrooi, Hoog Geldrop, Hout, Hulst en Riel. Maar ook lagen in dit gebied nog andere buurtschappen of gehuchten.

Het Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden vermeldt in 1851 onder Zesgehuchten het volgende: "Deze gem. bestaat uit de geh. Riel, Gijzenrooi, Genoenhuis, Hoog-Geldrop, Hout, Hulst, Papevoort en Putten, en draagt den naam naar de zes eerstgenoemden, uit welke zij vroeger bestond."(14) Het aardrijkskundig woordenboek heeft het dus over acht gehuchten, waarvan twee 'niet-officiële'.

Tegen een zijgevel van het voormalige Zesgehuchtense gemeentehuis, Papenvoort 7, tegenover de kerk, is een stervormig tegeltableau gemetseld (duidelijk zichtbaar vanaf de voordeur van het huis Papenvoort 3) dat herinnert aan een vroegere situatie. In het midden van dit tableau ziet men het gemeentewapen van Zesgehuchten, geflankeerd door twee bloemvormige versieringen, met erboven en eronder de namen van zes gehuchten, en wel: Papenvoort (gespeld als Papevoort), Zand, Hout, Gijzenrooi (in de merkwaardige spelling Geicenrooi), Riel, Hulst. 

Op een koperen plaat aan de zijgevel rechts onder het tableau is de volgende toelichting te lezen:   

" 'DE ZES GEHUCHTEN'. Zesgehuchten werd in 1921 geannexeerd door Geldrop. Tot dat jaar was het een zelfstandige gemeente. Dit pand was het gemeentehuis. Op een tegeltableau op de zijgevel waren het gemeentewapen en de 'zes gehuchten' uitgebeeld. Daarbij werd een vergissing gemaakt. De juiste gehuchten zijn namelijk: Genoenhuis, Gíjzenrooi, Hoog Geldrop, Hout, Hulst en Riel. In 1995 kon het tableau in oude glorie worden hersteld dankzij bijdragen van: Anjerfonds, gemeente Geldrop, familie De Groof en Belangenvereniging Zesgehuchten."

Zes, zeven, acht of negen gehuchten?

Nu zijn er dus al negen gehuchten genoemd in plaats van zes. Behalve de 'officiële' ook nog: Papenvoort, Putten en Zand. Men vraagt zich af wanneer precies de naam Zesgehuchten is ontstaan en wanneer precies is uitgemaakt welke gehuchten bij die naam hoorden.

In het Oorkondenboek van Noord-Brabant, dat afschriften van de oudste oorkonden tot het jaar 1312 bevat, komt de plaatsnaam Zesgehuchten niet voor.(15) Ook gedurende de veertiende eeuw blijkt Zesgehuchten nog onbekend te zijn geweest. Dat is op te maken uit wat diverse auteurs in het verleden hebben gepubliceerd, zoals W. Meindersma in De heerlijkheid Heeze, Leende en Zes-Gehuchten (Zaltbommel 1911) en J. Aerts, C. van Helvoirt of F.W. Smulders in de vroegste jaargangen van dit tijdschrift Heemkronyk (1962- 1964). J. Coenen constateert in een later artikel De Heerlijkheid Heeze-Leende-Zesgehuchten door de eeuwen heen: "De omvang van de heerlijkheid Heeze is pas tijdens de 14e eeuw vast te stellen. Het gebied bestaat dan uit Heeze, Leende en de zes gehuchten: Genoenhuis, Gijzenrooij, Hoog Geldrop, Hout, Hulst en Riel, die gerekend worden tot de toebehoorten van Heeze."(16)

Geleidelijk aan zal de benaming Zesgehuchten in het spraakgebruik zijn opgenomen. In oude archiefstukken die op de Heerlijkheid Heeze, Leende en Zesgehuchten betrekking hebben, moet na te gaan zijn wanneer deze plaatsnaam ongeveer zijn beslag heeft gekregen. In ieder geval was de geografische naam Zesgehuchten rond 1600 nog niet algemeen ingeburgerd. Secretaris Arnoldus Melchiors schreef op het titelblad immers nadrukkelijk Septemvicis, niet Sexvicis! Al zou hij zich natuurlijk hebben kunnen vergissen.

Maar hoe werd deze plaats verder aangeduid in het door Melchiors bijgehouden protocol dat de periode 1604-1607 bestrijkt? Vreemd genoeg bleek de naam Zevengehuchten tijdens mijn globaal onderzoek van de 163 dubbelzijdig beschreven bladen van het bewuste protocol uitsluitend op het titelblad voor te komen; dus alleen in het Latijn.

De akten betreffende Zesgehuchten zijn in dat protocol overigens niet talrijk, de meeste gaan over Heeze en Leende: in de teksten is sprake van de schepenen van Heeze en Leende (zonder Zesgehuchten) of van de heer van Heeze en Leende (zonder Zesgehuchten).

Bij verkoop van land in Zesgehuchten luidt de formulering bijvoorbeeld aldus:

eenen beempt oft weyvelt in der prochie van Geldrop ende heerlicheyt Heeze ende Leende, ter plaetschen geheyten Gijsenroy, genaempt die Donck (folio 38, 24november 1605); 

gelegen in der prochie van Geldrop ende heerlicheyt van Leende, gelegen ter plaetschen genaempt Hoechgeldrop (folio 74v, 9 mei 1607).

Enkele keren worden afzonderlijk wel plaatselijke functionarissen genoemd:

Tielman Ghijben, Peter Goyarts ende Thomas Gerarts, schepen(en) der buytenprochien van Geldrop oft Sessgehuechten, onder Heese sorterende; Pauwelen Wouter Everts ende Frans Peter Marcelis, geswooren oft bourgem(eeste)rs derselver buytenprochien oft Sessgehuechten voirsz. (folio 60-60v, 25 september 1606).

Jan Joestens ende Peter Hanrichs, bourgem(eeste)rs van de Sessgehuechten (folio 109, 18 december 1604).

Deze aanhalingen maken duidelijk dat een plaats met de naam Zesgehuchten, beschíkkend over eigen bestuurders als schepenen en borgemeesters, destijds werd beschouwd als een gebied in de parochie Geldrop en de heerlijkheid Heeze en Leende. Uit de aanhaling van 25 september 1606 (zie boven, folio 60-60v) blijkt 'Zesgehuchten' synoniem met 'de buitenparochie van Geldrop' en onder Heeze te ressorteren.

De plaatsnaam Sessgehuechten, de zeventiende-eeuwse variant van onze spelling van Zesgehuchten, komt in dit schepenprotocol echter maar zelden of enkele keren voor.

Jan Aerts noemt in een artikel het jaar 1526 als vroege vermelding van de plaatsnaam Zesgehuchten: "Heze mitte zesse gehuchten aldair bevonden zijn bewoende huysen IIIIcXXV". Zelf vond ik een vroege vermelding in een protocol uit de jaren 1583-1585: Anno 1584 den 30ste april is Jan Peter Pompen comen en(de) heft doir uutspreken van goede manne(n) metten schepen van Sesgehuchten en(de) gesworen, namelick...(17)

Oude topografische kaarten kunnen bij zo'n onderzoek een hulpmiddel vormen, al zijn de meeste historisch onbetrouwbaar. Er bestaan landkaarten uit de zeventiende en achttiende eeuw waar Zesgehuchten op voorkomt, bijvoorbeeld die met De Zes Gehugten, vergezeld van zes 'buurt'-tekentjes (één voor ieder gehucht?), uit 1740. Andere kaarten, fotografisch herdrukt in een kaarten-/platenboek en in een bibliotheek gemakkelijk te raadplegen, zijn die van:

1. Oost-Brabant door N. Visscher (1649-1702), na 1708 uitgegeven;

2. het Hertogdom Brabant door G. Sanson en H. Jaillot, in 1692 uitgegeven;

3. het Hertogdom Brabant door J. Danckerts (1635-1701), na 1696 uitgegeven.(18)

Op de kaarten van Sanson/Jaillot en Danckerts zijn de plaatsnamen verminkt weergegeven, waarschijnlijk door een buitenlandse graveur. Zesgehuchten staat daar aangeduid als Sessegehum. De topografische kaarten met Zesgehuchten die ik ken, gaan echter geen van alle verder terug dan de tweede helft van de zeventiende eeuw.   

 

Amor et pecunia - Liefde en geld

Tijdens mijn onderzoek van het schepenbankprotocol van Heeze, Leende en Zeven- of Zesgehuchten dat door secretaris Arnoldus Melchiors was bijgehouden, trof ik een los papiertje aan.(19) Het bevat een aardige levenswijsheid in een tekst van zes regels, deels in het Latijn en deels in zeventiende-eeuws Nederlands, waarin leestekens vrijwel ontbreken (zie het afgebeelde origineel onder aan deze bladzijde). Op het ongedateerde stuk staat verder alleen een rijtje van zeven familienamen.

Volgens mij is de bovenste regel in het Latijn ontleend aan de Bucolica of 'herdersliederen' van de beroemde Romeinse dichter Vergilius (70-19 vóór Christus). Het zijn klassieke gevleugelde woorden. Ter vergelijking citeer ik uit dit werk het vers: omnia vincit amor, et nos cedamus amori (de liefde overwint alles; laten ook wij ons dan aan de liefde onderwerpen), Bucolica, 10, 69. De eerste drie woorden van het citaat uit Vergilius' herdersliederen staan alleen in een andere volgorde.

Indien de bewuste tekst uit het protocol op een bepaalde manier gelezen wordt, zijn de onderdelen minder onsamenhangend dan op het eerste gezicht lijkt. Er is, denk ik, maar één interpretatie mogelijk. Om de betekenis van wat de schrijver - Arnoldus Melchiors? - heeft willen uitdrukken, gemakkelijker te kunnen begrijpen, voorzie ik hier (zie blz. 223 bovenaan) de door mij aangetroffen en getranscribeerde tekst van de juiste leestekens.

Succes met de 'vertaling' in modern Nederlands!   

 

NOTEN

1           Zie G.P.M. Knuvelder, Handboek tot de geschiedenis der Nederlandse letterkunde, dl. 1, 5de geh. herz. dr., 's-Hertogenbosch 1970, blz. 12-14.

2           Streekarchief Regio Eindhoven, Eindhoven. Oud-rechterlijk archief (schepenbankarchief) van Maarheeze, Soerendonk en Gastel, 1602-1811, inv.nr. 17. De originele band van dit register met akten uit de periode 1622-1625 ontbreekt en was waarschijnlijk van perkament.

3           Gemeentearchief Helmond, Helmond. Oud-rechterlijk archief (schepenbankarchief) van Helmond, 1396-1810, inv.nr. 215, folio 186v.

4           Gemeentearchief Helmond, Helmond. Oud-rechterlijk archief (schepenbankarchief) van Helmond, 1396-1810, inv.nr. 255.

5           Zie A.M. Frenken, Helmond in het verleden, dl. 1, z.pl. ('s-Hertogenbosch) 1928, blz. 307.

6           Zie noot 4; inv.nr. 238. Zie ook noot 5; blz. 306.

7           Zie noot 5; blz. 305. Van deze vertaling in het Nederlands luidt de originele Latijnse tekst in het oudrechterlijk archief (schepenbankarchief) van Helmond, 1396-1810, inv.nr. 232: Egregius scriba est tenuem perfectus ad unguem; / estq(ue) bonus, prudens, impiger, assiduus, /arcani custos fidissimus, utilis urbi; / lucrum ingens nolit, parva lucella velit; /est comis sermone, stilo gravis, arte                politus, / vividus ingenio, vividus et calamo.

8           Streekarchief Peelland, Deurne. Oud-rechterlijk archief (schepenbankarchief) van Someren, 1518-1811, inv.nr. 90.

Zie ook D. de Jong O.C.R. (bewerker), Kronijk of aantekening der merkwaardige voorvallen binnen de gemeente Heeze en eenige omliggende dorpen en enkelde welken algemene belangstelling verdienen door Hendrik Godefridus van Moorsel, gemeentesecretaris van Heeze, Leende en Someren, Achelse Kluis 1953, blz. 119-120, 151.

Onder de aangehaalde tekst staat verder: Et ego libenter multo taedio fatigatus, et saris edoctus de omni genere nequitiae haec subscribo. Wolph. Idelet, secr(etariu)s, 1627. Vertaling in het   Nederlands: "Ook ik, die erg walg en meer dan genoeg heb van al die gemeenheid, onderschrijf dit graag. Wolph. Idelet, secretaris, 1627."

9           Zie H.P.H. Camps (bewerker), Oorkondenboek van Noord -Brabant tot 1312. I. De Meierij van 's-Hertogenbosch (met de heerlijkheid Gemert), tweede stuk (1294-1312), 's-Gravenhage 1979, nr. 617, blz. 742-743. Van de bewuste oorkonde van 2 juli 1301 zijn slechts afschriften bekend. Er is in te lezen dat Jan II, hertog van Brabant, een schepenbank instelt te Someren met hofvaart op 's-Hertogenbosch en dat hij tevens enige rechten en verplichtingen der inwoners vaststelt. Zie ook 'Someren met stadsrechten trots op dorps karakter. Logo 'Someren 700 jaar stadsrechten' met nadruk op beweging en vooruitgang' in het Eindhovens Dagblad (katern 'Helmond Plus'), 11 november 2000; zie bovendien 'Het 'stads'recht van Someren' (ingezonden stuk door A. Spamer, Deurne) in het Eindhovens Dagblad (katern 'Helmond Plus'), 15 november 2000. Spamer trekt het stadsrecht van Someren in twijfel. Someren kreeg van de Brabantse hertog wel het recht om zeven schepenen te hebben, maar van het recht op stadsmuren of eigen munt of iets dergelijks is nooit sprake geweest. Zie in dit verband ten slotte nog het in weekblad De Trompetter (editie Helmond/Mierlo) van 1 december 2000 verschenen bericht 'Miskleun van de gemeente Someren als het gaat om 700 jaar stadsrechten', een reactie van historicus Martien van Asseldonk. Hij geeft daar een nadere toelichting op de bewuste oorkonde van 2 juli 1301.

10        Streekarchief Regio Eindhoven, Eindhoven. Archieven van de schepenbank Heeze, Leende en Zesgehuchten, 1400-1810, inv.nr. 1619, folio 1.

11        Over de vertaling van Septemvicis en a secretis het volgende:

Septemvicis, hier met een zesde naamval meervoud (ablativus pluralis) wegens de afhankelijkheid van het voorzetsel de: "de Heze, (de) Leende & (de) Septemvicis".  Septemvicis, samengesteld uit 'septem' (= zeven) en 'vicus' (= wijk, dorp, landgoed); vici - de wijken; (de)  vicis - (van/uit) de wijken; Septemvíci (in de eerste naamval meervoud - nominativus pluralis) = Zevengehuchten. De Latijnse naam voor Zesgehuchten zou dus Sexvici moeten luiden.

A secretis - secretaris. Vergelijk ook: abactis - secretaris van een universitair college of een studentenvereniging; abactís, van het Latijnse '(servus) ab actis', letterlijk: '(slaaf) van de handelingen'. Naar analogie hiervan ook: a secretis, van het Latijnse '(servus) a secretis', letterlijk: '(slaaf) van de geheime bij eenkomsten'; secretum - geheime bijeenkomst; secretarius - geheimschrijver, secretaris.

12        Zie A.F.N. van Asten, 'Oudste schepenprotokol van Heeze-Leende is van 1483' in Heemkronyk, jrg. 10 (1971), nr. 3, blz. 33-36. Het titelblad van het protocol met de tekst van A. Melchíors is in Van  Astens artikel afgebeeld op blz. 35. Zie ook de reactie van J. Coenen, 'De Zes-Gehuchten' in Heemkronyk, jrg. 12 (1973), nr. 1, blz. 28. J. Coenen noemt in deze reactie alle gehuchten uit het gebied en verantwoordt waarom Genoenhuis, Gijsenrooí, Hoog Geldrop, Hout, Hulst en Riel beschouwd moeten worden als de 'echte' zes gehuchten. Hij vermeldt vindplaatsen in archiefstukken en literatuur, onder andere ook het door mij verderop in dit artikel aangehaalde aardrijkskundig woordenboek van Van der Aa.

13        Zie J.J.F. de Waal, 'Een aanhangsel van Heeze. Herindelingsperikelen tijdens de jaren twintig' in Heemkronyk, jrg. 35 (1996), nr. 4, blz. 147-151.

14        Zie AJ. van der Aa, Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden, dl. 13, Gorinchem 1851, blz. 141.

15        Zie index van persoons- en plaatsnamen in H.P.H. Camps (bewerker), Oorkondenboek van Noord-Brabant tot 1312. I. De Meierij van 's-Hertogenbosch (met de heerlijkheid Gemert), 's-Gravenhage      1979.

16        Zie J.C.G.W. Coenen, 'De Heerlijkheid Heeze-Leende-Zesgehuchten door de eeuwen heen' in 'De Heerlijkheid ' Rechtshistorische beschouwing over een oude rechtsvorm in de Meierij van 's-Hertogenbosch, Geldrop 1989, blz. 115 (bundel met artikelen verschenen als speciale uitgave van Heemkronyk, jrg. 25 (1986), nr. 2-3, ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van Heemkundekring De Heerlijkheid Heeze-Leende-Zesgehuchten).

17        Zie voor het jaar 1526 J. Aerts, 'Zes Gehuchten en waar het om gaat' in Heemkronyk, jrg. 2 (1963), nr. 2, blz. 28. Zie voor het jaar 1584 Streekarchief Regio Eindhoven, Eindhoven. Archieven van de schepenbank Heeze, Leende en Zesgehuchten, 1400-1810, inv.nr. 1643, folio 13v.

18        Zie voor een afbeelding van de eerstgenoemde detailkaart J. Coenen, Alles wat hier leeft, spint, twernt of weeft. Geschiedenis van Geldrop en Zesgehuchten, Geldrop 1987, blz. 21. Zie voor de drie andere genoemde kaarten (fotografisch herdrukt in een kaarten- en platenboek) D.R. Duncker en H. Weiss, Het Hertogdom Brabant in kaart en prent, Tielt/Bussum 1983, blz. 81, 124 en 133.

19        Zie noot 10. Het protocol (inv.nr. 1619) kan in het streekarchief te Eindhoven door onderzoekers niet in het origineel, maar op microfiche geraadpleegd worden. Het papiertje met de bewuste tekst,  plus nog een kladje, staat op het mícrofiche van het protocol (inv.nr. 1619) tussen folio 143 (8 april 1606) en folio 143v (10 april 1606), foliocijfers onder op de bladen.