Heemkronijk jaar:2000, jaargang:39, nummer:4, pag:153 -184

PAUL HENRI THIRY BARON D'HOLBACH

De herkomst van zijn fortuin, of: Wie was Franz Adam Holbach?

door Leo Driessen

 

Bij de naam Holbach rijst het beeld op van een voormalig kasteelheer van Heeze, die in weelde baadt en in Parijs een wegbereider van de Franse Revolutie wordt.

Veertig jaar lang heeft hij de intellectuele elite van de achttiende eeuw op vorstelijke wijze onthaald. Veertig jaar lang heeft hij zich in woord en geschrift met volle overgave ingezet voor humanisme en vrije zelfbeschikking van ieder individu.

Tradities, vooroordelen en opgedrongen opinies moeten wijken voor persoonlijke verantwoordelijkheid, zo luidde zijn boodschap en zo luidt ze nu nog.

Het was zijn financieel-economische vrijheid die hem de gelegenheid bood de banier van 'geestelijke vrijheid' hoog te houden.(1)

Waaruit bestond die financieel-economische vrijheid?

De speurtocht naar een antwoord op deze vraag voert al snel richting ondersteuning en erfenis die hij ontving van zijn oom, opvoeder en weldoener Franz Adam Holbach, ook baron, eens ook kasteelheer van Heeze.

Over deze ongehuwde, kinderloze Franz Adam gaat dit verhaal.(2)

 

Eindelijk een adellijk goed met historie

Het is eind 1732, begin 1733, als de Heerlijkheid Heeze, Leende en Zesgehuchten voor het eerst van hem hoort. In die periode worden er in `s-Hertogenbosch en Heeze belangrijke akten getekend. Een archiefstuk vertelt daarover het volgende.(3)

Samen met "de Hoogh wel geboome vrouwe Ermgarde, Gratiana Sweerts de Landas, Sijne Huijsvrouwe", draagt dan "Den Hoogh wel gebooren Aalbert Charles Baron de Snoekaert Heere van Heeze, Leende en Sesgehuchten, Colonel van de Cavalerie ten dienste van Haer Hoogh Mogende de Heeren Staeten generael der vereenigde Nederlanden" de 'heerlijkheden' van Heeze, Leende en Zesgehuchten over aan "François Adam de Holbach, ridder, Baron van heijligh rooms rijck".

Niet alleen worden "het Casteel oft Wooninge van den Heer, met Sijne Hooven, Boomgaarden, gragten, dreven, wijden, Plantagien, Turflanden en houtbossen, van wat soorte die sijn en't geene daer aen gehoort" overgedaan, maar ook "de collatie van het beneficie van de Capelle van Sint Jan en autaar in de kerke van Leende".

Op de veertiende oktober 1732 is het contract van overdracht voor de notaris Jan Louis Versterre in 's-Hertogenbosch "gepasseert tusschen den heere en vrouwe opdrageren en heere vercrijgere". Diezelfde dag werd de akte ook in de Franse taal voorgelezen. De koper wordt omschreven als "le très noble François Adam de Holbach, chevalier Baron du Saint Empire", en het benoemingsrecht in Leende heet dan "la collation du bénéfice de la Chapelle Saint Jean et l'autel de l'église de Leende".

Het transport van deze akte werd op 12 december 1732 in 's-Hertogenbosch geregistreerd en op 9 januari 1733 te Heeze. In 's-Hertogenbosch werd ook "de quitantie van de veertigsten penninge getekend". De koopsom zelf bedroeg f 205.000,-.

Wie was deze koper uit Parijs en waarom werd hij heer van deze heerlijkheid?

De nieuwe kasteelheer werd in het Duitse wijnbouwersdorp Edesheim, in de Palts, rond 1675 als Franz Adam Holbach geboren. Zijn vader was er ontvanger van de belastingen ten behoeve van de prins-bisschop van Speyer (Spiers).

Franz Adam was de oudste van de drie kinderen uit het eerste huwelijk van zijn vader. Hij voelde zich ook de oudste. Mede daarom zal hij een beslissende rol gaan spelen in de opvoeding van de kinderen van zijn beide zusters.

Twintig jaar oud vertrok Franz Adam naar Parijs. Zijn moeder was overleden, zijn vader hertrouwd.   

In de Franse hoofdstad heeft hij in verschillende functies gewerkt. Zo is hij er bij de geldwisselaar Martigny in dienst geweest en bij de bank Labhard & La Poire, waar hij als lakei begon.

 

Aan de Parijse Beurs

De onbemiddelde dorpsjongen uit Duitsland die in zijn eentje zijn geluk ging beproeven in Parijs gaf daarmee al aan dat hij veel lef had.(4)

Na een verblijf van zeventien, achttien jaar in de Franse hoofdstad sprak hij vloeiend Frans, had hij de Parijse mentaliteit leren kennen, zich in het bankwezen bekwaamd en wat geld gespaard. Hij was klaar voor de volgende belangrijke stap in zijn leven.

In 1713 vestigde hij zich als zelfstandig makelaar op de Parijse Beurs. Met voor een gedeelte geleend geld kocht hij er zich een plaats als "koninklijke raad, bank- en beursmakelaar".(5)

Daar, aan de beurs, kwam hij in contact met mensen rondom de Schotse financier John Law (1671-1729). Deze had in Londen en Amsterdam de nieuwste vormen van sanering van staatsschulden bestudeerd. Financiering leek hem het enige middel tegen de desastreuze geldelijke gevolgen van de Spaanse Successieoorlog (1701-1714). Toen Lodewijk de Veertiende in 1715 overleed, torste met name Frankrijk een enorme schuldenlast. De opvolger van de Zonnekoning, een achterkleinzoon, was nog te jong om de regering over te nemen. Filips van Orléans, de naastverwante prins, trad van 1715 tot 1723 als waarnemer op. Van deze regent kreeg Law vergunning in Frankrijk een 'particulier-generale bank' op te richten. Beiden dachten de Franse financiën te kunnen saneren door uitgifte van wissels waarmee de staatsschulden konden worden omgezet in aandelen. De Franse staat stelde vertrouwen in deze bank, die dan ook spoedig een staatsbank werd, de 'Banque Royale'. Om de aandelen te beleggen had Law een 'Compagnie d'Occident' in het leven geroepen die zich ging richten op de winstbelovende exploitatie van Louisiana, een Franse kolonie in Amerika. Ze heette al gauw de 'Mississippi-Com- pagnie'.

De bank kreeg nog meer monopolies op het gebied van de buitenlandse handel. In 1719 slaagde Law erin de West-Afrikaanse en de West- en Oost-Indische compagnieën met die van Louisiana te verenigen in de 'Compagnie des Indes'. De door de overheid verleende concessies inspireerden de beursmakelaars de kopers van aandelen grote winsten voor te spiegelen. Franz Adam hoorde tot beide groepen. Hij was beursmakelaar en koper. Zijn zaken gingen zo goed dat hij in nog ruimere mate kon speculeren en in december 1719 zelfs een paleis kon huren in de voorname Rue de Richelieu.

Het 'windhandel-enthousiasme' "dreef de prijzen op totdat het besef begon te dagen, dat de exploitatiemaatschappijen nooit de winsten konden betalen, die nodig waren om hun opgeblazen aandelenprijzen te reehtvaardigen".(6)

Voorzichtige lieden kwamen tot het inzicht dat de verwachtingen niet konden worden waargemaakt. Franz Adam was een van hen. Hij herinnerde zich de uitspraak van zijn vroegere werkgever, de bankier Labhard, dat alleen een gerealiseerde winst echte winst is.(7) Terwijl hij als makelaar door bleef handelen, verzilverde hij zijn eigen aandelen. Zo werd hij in de eerste dagen van het jaar 1720 twintig miljoen livres rijker. In één klap was hij een vermogend man.

 

Beter even weg

Franz Adam voorzag een hectische tijd zodra de beleggers - onder wie velen van zijn clientèle - tot de ontstellende ontdekking zouden komen dat hun in plaats van duizelingwekkende winst een regelrechte rampspoed wachtte. Hij begreep dat het verstandig was enige tijd van het Parijse toneel te verdwijnen. Zijn halfbroer Ludwig (1694-1730), de oudste uit het tweede huwelijk van zijn vader, vroeg hij tijdelijk zijn plaats in Parijs in te nemen. Zelf vertrok hij naar Edesheim. Een gedeelte van zijn geld bracht hij naar een bank in Frankfurt.

 

Freiherr

Naar de gewoonte van rijke burgers in de tijd van het Ancien Régime ging ook Franz Adam er nu naar streven in de adelstand te worden opgenomen.(8) Belastingtechnische voordelen, verhoging van aanzien en het recht een landgoed te kopen waren krachtige drijfveren.   

Naar de kanselarij van het Keizerlijk Hof in Wenen zond hij een ver- zoekschrift om tot de adelstand verheven te worden. Een adellijke titel verkrijgen zou voor hem enkel een begin van groter sociaal aanzien betekenen. Om echt in de adellijke kringen mee te tellen moest hij bij voorkeur tot het niveau van baron, in Duitsland 'Freiherr' genoemd, zien te komen.

 

Ook in deze zaak ging Franz Adam met groot overleg te werk. Zijn ver- zoek aan de keizer betrok hij niet op zichzelf maar veeleer op zijn vader. In die zin is het verzoek later ook ingewilligd. Als motivering voor de opname in de adel liet Franz Adam in zijn verzoekschrift het zware lot tellen dat zijn vader en hemzelf - naar zijn zeggen - in de Franse oorlogen had getroffen. Daardoor was hij genoodzaakt geweest als een vreemde in een ander land te gaan werken. Maar gelukkig had de Allerhoogste hem daar gezegend. En met dat in den vreemde verworven vermogen wilde hij in zijn "teutschen Vatter- lande" een slot bouwen om zijn oude vader nog te laten meegenieten van deze goddelijke zegen. Daartoe was hij echter pas gerechtigd als zijn vader tot de adelstand werd verheven.(9)

Het is niet uitgesloten dat Franz Adam persoonlijk een bezoek heeft gebracht aan de kanselarij in Wenen om de afhandeling van zijn verzoek te bespoedigen en de koopsom van de titel te betalen. Immers, al op 25 april van dat jaar 1720 volgde de toelating tot de adel. De kanselarij van keizer Karel VI benoemde vader Holbach (en dus ook diens rechtmatige mannelijke erfgenaam) tot 'Edelman' met de aanspreektitel ‘rechtgeboren’ en verleende een familiewapen. Het toegekende wapen bestond uit een blauw- of lazuurkleurig schild waar een witte of zilverkleurige 'watervloed' dwars doorheen gaat. Daaronder vertoont zich één, en daarboven vertonen zich twee gele of goudkleurige zeshoekige sterren.(10)

 

Het adellijke fundament was gelegd. Twee stappen was hij nu nog verwijderd van de titel van Freiherr. Zes jaar later, op 26 mei 1726, - zijn vader was al enkele jaren dood - werd hij 'ridder' met de titel 'Edle von Holbach'. Op verzoek van Franz Adam deelde ook zijn halfbroer Ludwig in deze promotie. En toen, op 24 februari 1728, volgde de titel 'Freiherr'. Via vererving kon de titel worden doorgegeven. De aanspreekterm was 'Wohlgeboren`.

Van deze verheffing tot Freiherr werden de kanselarij en van de keurvorsten van Keulen, Trier en Mainz door Wenen in kennis gesteld.(11)

In Edesheim had Franz Adam intussen een hectare grond gekocht van de prins-bisschop van Speyer (Spiers). Daarop liet hij een slot bouwen dat in 1724 gereedkwam. Ook hier hechtte de bouwheer van het laatbarokke gebouw aan Franse invloed. Hij liet een Franse tuin aanleggen, nam Frans personeel in dienst en leefde er in Franse stijl. Het slot heet nu 'Schlosz Kupperwolf, naar Generaal Christoph von Kupperwolf die er van 1758 tot aan zijn dood in 1784 heeft gewoond.(12)

 

Opvoeder van een nicht en een neef

Een aantal jaren al had Franz Adam zich ontfermd over Suzanne Westerburg (1706, Edesheim - 1783, Parijs), het enige kind van zijn oudste zuster Margaretha. Suzanne werd geboren na het overlijden van haar vader, Christian Westerburg. Haar oom liet haar voortreffelijke internaten in Metz en Parijs bezoeken. In 1728 zou ze in de Franse hoofdstad als "Suzanne de Westerbourg, Edle von Holbach", trouwen met Nicolas d'Aine. Deze was eerst inspecteur-generaal van de "Kleding, Vlaggen en Standaarden van de Troepen van de Koning", daarna een van de raadsheren-secretaris van de koning. D`Aine was in het bijzonder belast met de administratie van het leger. Na het overlijden van D`Aine in 1755 kocht Paul Thiry baron d'Holbach die functie. Deze Paul, neef van Suzanne, zou later trouwen met beide dochters uit het huwelijk van Suzanne met Nicolas d'Aine.

Al een paar keer zijn we de naam Paul tegengekomen. In het doopboek van de katholieke kerk te Edesheim staat hij op 8 december 1723 vermeld onder de naam Paulus, zoon van Jacobus Tyrry en Maria Jacoba. In de loop der jaren ontstaan er een vijftal verschillende schrijfwijzen van de naam Tyrry, waaronder de puur Duitse: Paul Heinrich Dietrich.

De jongen was het enige kind van Franz Adams tweede zus en haar man, de Wijnbouwer (Johann) Jacob Tyrry. In datzelfde jaar 1723 stierf de vader van Franz Adam en dus de grootvader van Suzanne en Paul.

In overleg met de ouders van Paul besloot Franz Adam in 1730 de intelligent gebleken zesjarige neef een Frans getinte opvoeding te geven. Paul kwam te wonen op het 'Schlosz' van zijn oom; een Franse geestelijke werd aangezocht om mede de opvoeding op zich te nemen. Al snel echter kwam de pastoor van Edesheim, Philipp Krelein, tot de bevinding dat François Bellemont, de Franse geestelijke, er jansenistische ideeën op nahield.(13) Toen deze weigerde de door de pastoor voorgelegde pauselijke decreten tegen het jansenisme te erkennen, stelde de pastoor zijn bisschop op de hoogte. Bellemont werd ontboden bij kardinaal Von Schönborn, de prins-bisschop van Speyer (Spiers). Franz Adam kreeg het bericht dat een afgevaardigde van de kardinaal de boeken van de Franse geestelijke op het slot in beslag kwam nemen. Mocht de Freiherr weigeren mee te werken dan zou hij bij de prins-bisschop in ongenade vallen en een boete krijgen van tweeduizend 'Taler'.

Bellemont ging niet naar de prins-bisschop. En op 27 september 1731 volgde de inbeslagname van de boeken. In eerste instantie hield het verzet door de Franse geestelijke en ook door Franz Adam in, dat de vertegenwoordiger van de bisschop zonder boeken het slot verliet. Maar hij had in een nabijgelegen schoolgebouw drie stevige mannen geposteerd. Met deze versterking werd de woning van de baron opnieuw bezocht. De boeken werden in een kist geladen die na verzegeling werd meegenomen. De huisleraar nam de wijk naar het naburige, protestantse Rhodt (unter Rietburg) en de baron vertrok met zijn neefje naar Parijs.

Hoe heeft de kwetsbare jongensziel van de zevenjarige Paul het hardhandige optreden bij de inbeslagname van de boeken, het verzet van zijn oom, de vlucht van zijn leraar naar het andersdenkende Rhodt en het overhaaste vertrek van hemzelf en zijn oom uit Edesheim naar Parijs ervaren en verwerkt? Wat heeft het betekend dat de oom in ongenade was gevallen bij kardinaal Von Schönborn? Is hier een kiem gelegd van Pauls latere radicale verzet tegen priesterlijke dwang? Zijn de gevoelens van de oom op dat moment, maar ook nadien, van invloed geweest op de vorming en ontwikkeling van de latere filosoof?

Terug in Parijs, waar de Freiherr François Adam baron d'Holbach of liever nog Monsieur Le Baron d'Holbach heette, keek Franz Adam uit naar een mogelijkheid een bestaand landgoed te verwerven. Bij deze financiële deskundige zal het daarbij niet onbelangrijk zijn geweest dat de Republiek der Verenigde Nederlanden, in tegenstelling tot Frankrijk, een veilige kapitaal- markt was om geld te beleggen.

Een jaar na de bittere ervaring in Edesheim ontdekte hij dat daar in de veilige en meer liberale Republiek op korte termijn de Heerlijkheid Heeze, Leende en Zesgehuchten vrijkwam. Nu was hij in de gelegenheid een landgoed te kopen dat een geschiedenis had en ook macht gaf.(14)

Met groot enthousiasme begon Franz Adam zijn nieuwe status van volwaardig heer van een heerlijkheid vorm te geven. Op het binnenplein van het kasteel liet hij paardenstallen en remises voor rijtuigen bouwen. Evenals in Edesheim signeerde hij ook in Heeze alles wat hij in- of aanbracht met jaartal en/of wapen tot aan een nog aanwezige koperen schaal toe.

 

Een oud rijpaard en een oude ezel

Weten we wat er in de Holbachjaren zoal op het kasteel aanwezig was? We weten het precies.

Op 1 juni 1756 werd op het kasteel in Heeze een inventarislijst getekend. Onderaan op die lijst wordt een kist vermeld "waarvan geen sleutel alhier in handen is..." Besloten werd dat de baron daarom deze inventaris te allen tijden daarmee kon "augmenteren".(15) Maar de baron vond dat er te veel mis was gegaan bij die inventarisatie. Vanwege "verscheidene irregulariteiten" bij het opstellen van die lijst kwam hij persoonlijk over uit Parijs. In de juli- maand van 1756 hebben daarom Paul Henri Thiry baron d'Holbach, de huishoudster Maria Barbara Hansin(16) en Dirk Wijnhoven, "geswore Priseur in de Stad 's-Hertogenbosch", dagen besteed aan het opstellen van een nieuwe in- ventarislijst die uiteindelijk uit 94 opsommingen ging bestaan.(17) Dagelijks werd vastgelegd wat er geïnventariseerd was. De drossaard, schepenen van Heeze, Paul, de huishoudster, de secretaris zetten daaronder telkens hun handtekening. Allen dus, behalve de Bossche vendumeester: hij kon niet schrijven!

In die inventarislijst lezen we dat bijvoorbeeld in de kamer van de "Koeymeijt" een veren bed, twee peluws, drie wollen dekens en een matras aanwezig waren. In de stallen bevonden zich twee hoog- en twee "aertkarren", twee sleden, dertien runderen, een oud rijpaard en een oude ezel en rijzadels. Men inventariseerde drie koppel zadelpistolen en vier "snaphanen". In de bibliotheek werden 1526 boeken geteld. Zij waren "meest gebonden, zo folianten, quarten, octavo en duodecime, geschreven in Latijnse, Franze, Hoog en Nederduitse Tale". De boeken werden getaxeerd op f 1200,-. In de wijnkelder werden onder meer zes grote vaten "Rinse wijnen" geteld en drie okshoofden rode en witte wijn. De inhoud van de wijnkelder werd getaxeerd op f 1560,-.

Uit die tijd van Franz Adam zijn op dit moment, anno 2000, nog slechts drie voorwerpen duidelijk herkenbaar aanwezig. In de gang van de zuid-vleugel hangt een geschilderd portret van hem, op de blauwe slaapkamer herinnert aan hem de haardomlijsting tegen de schoorsteenmantel en in de kleine salon bevindt zich een koperen schaal op een koperen voet.

In die schaal staat het wapen van Franz Adam.

 

Wandtapijten

Hadden de Holbachs ook wandtapijten?

In de inventarislijst van 1756 komt het woord 'tapijt' in vier opsommingen voor. Onder nummer 14 wordt gesproken van "ses tapijten stoelen", onder nummer 81 van "een tapijt behangsel" en onder nummer 82 van "Ses Stucken tapijten van Brussel repraesenterende bataljes. Twe Stucken Tapijt, twe Stucken vloertapijt, welke zamen is getaxeerd op  f 1550,-."

Van de "Twe Stucken Tapijt" wordt geen nadere precisering gegeven: geen herkomstbenaming, niets over de afbeeldingen.

Onder nummer 86 ten slotte worden we geattendeerd op "een coffertie met koper beslagen, kleine boekkast, twee Stucken Tapijt tot Behangsel met nog vier dito stucken en twee catoene gordijnen", hetgeen werd getaxeerd op f 129,-.

Voor de beantwoording van de vraag of de Holbachs wandtapijten bezaten, is dus nummer 82 van de inventarislijst belangrijk. De Holbachs bezaten wandtapijten. Het past geheel in de geest van Franz Adam om de wanden van de grote salon te verfraaien. Niet zozeer ter bescherming tegen tocht en kou, mogelijk mede wel uit esthetische overwegingen en als geldbelegging, maar vooral als statussymbool om de bezoeker te imponeren. Over zijn gevoel voor status komen we verderop nog herhaaldelijk te spreken.

Kunnen de tapijten die zich nu in het kasteel bevinden van de Holbachs afkomstig zijn? Er 'hangen' er op dit moment acht in de kleine salon. Deze acht tapijten worden wel ‘Groenwerken met figuur’ genoemd.(18) De kleine salon bestond echter nog niet in de tijd dat een Holbach kasteelheer was. Er waren toen daar twee kleine vertrekken waartussen later een muur is uitgebroken. Enkele van de nu in die kleine salon aanwezige tapijten zijn, tegen de tocht, rondom twee deuren aangebracht.

In de grote salon, ook ontvangsthal genoemd, worden ons vier tapijten getoond. Het zijn Vlaamse adaptaties van kartontekeningen van Charles Le Brun, enige tijd artistiek leider van het Frankrijk van Lodewijk XIV. Dit waren tekeningen uit een zogeheten Alexander-serie.

Op alle twaalf tapijten ontbreken het stads- en weversmerk. Beide merken waren sinds 1544 verplicht. De twaalf hebben met elkaar ook gemeen dat hun hun mobiliteit is ontnomen. De tapijten zijn namelijk vastgenageld aan de muren. Het is dus ook niet direct mogelijk aan de achterkant te kijken naar de oorspronkelijke verfkleuren.

Zouden de voorstellingen op deze tapijten passen bij Franz Adam? Bepalen we ons tot de twee grote tapijten aan de lange wand van de grote salon. Het grootste van die twee geeft de beslissende slag weer bij Gaugamela in Assyrië tussen Alexander de Grote en de Perzische koning Darius III in het jaar 331 vóór Christus.(19)  

Een wandtapijt met een voorstelling van strijdgewoel werd vaak gekocht. Het benadrukte de adellijke positie omdat de adel voorging in de strijd. Franz Adam die, zoals we nog zullen zien, enorm trots was op zijn verheffing tot de adelstand, zal zulk een benadrukking van zijn positie best gewaardeerd hebben.

Op het andere tapijt bezoekt Alexander de tent waarin leden van de familie en hofhouding van Darius waren achtergebleven toen Darius op de vlakte bij Issos in Cilicië (in 333 vóór Christus) voor de tweede keer op de vlucht was geslagen. Zij doen een voetval, een proskynese, als teken van onderdanigheid. De grootmoedige Alexander toont clementie en schenkt hun de vrijheid. Ook die voorstelling van grootmoedigheid en clementie paste bij het karakter van de weldoener Franz Adam.

Maar, deze tapijten zijn niet in zijn opdracht geweven. In dat geval zou hij - gelet op zijn karakter - in de bovenhoeken van de tapijten zonder twijfel zijn wapenschild hebben laten inweven. Aan het tweede tapijt, dat van de grootmoedigheid, zou het familiewapen zelfs nog een zinnebeeldige betekenis hebben kunnen toevoegen. In het kort: de zilveren watervloed van het wapen symboliseert de zuivering van het verleden en de sterren stralen ook nu, in die diepe ellende van verlatenheid.

Als de tapijten niet op zijn verzoek zijn geweven kan hij ze toch uit voorraad hebben gekocht, bijvoorbeeld bij een Antwerpse handelaar of op een veiling? Ook in dat geval zou hij ervoor gezorgd hebben dat het voor iedere bezoeker duidelijk was dat hij die tapijten had meegebracht. Franz Adam signeerde alles waarmee hij wilde imponeren. Zelfs zijn handtekening bestond uit de woorden "Le Baron De Holbach", terwijl zijn neef volstond met "D'Holbach", met soms de letters "P" en "T" ervoor. We zullen er bij de bespreking van 'Het kazuifel van Heeze' nog op terugkomen. Het past evenmin bij zijn mentaliteit een tapijt te kopen zonder herkenbare merken van de stad en weverij van herkomst.

Hij zou de tapijten ook niet laten vastspijkeren. Door het vrije ophangen van tapijten komt niet alleen hun vorstelijke allure beter tot haar recht maar kunnen ze zowel binnenshuis als buitenshuis worden gebruikt en bovendien op meerdere kastelen hun luxe tonen. We hebben gezien dat Franz Adam een slot in Edesheim had en een paleis in Parijs bewoonde. Ook daar zal hij hebben willen imponeren.

Nu we weten dat de huidige tapijten, die overigens geen gobelins zijn in de oorspronkelijke betekenis van dat woord, niet voorkomen op de inventarislijst van 1756 en we Franz Adams lust tot signeren en imponeren al enigszins hebben leren kennen, moet het antwoord op de vraag of deze wandtapijten van Heeze door Franz Adam zijn meegebracht, ontkennend zijn. 

Dit negatieve antwoord wordt nog eens bevestigd door een inventarislijst uit 1767. Deze laatste lijst werd opgemaakt toen Jan baron van Tuyll van Serooskerken en zijn vrouw Johanna Elisabeth de Geer waren overleden en de heerlijkheid al "gelegateerd" was aan Reinoud Diederik baron van Tuyll van Serooskerken. Bij de inventarisatie werden nog enkele zaken aangetroffen die van Franz Adam afkomstig waren. Zo staat er genoteerd dat boven de deur van de gang "het pourtrait van den Baron de Holbach" hing. Degenen die de lijst opstelden troffen ook aan "vier kopere versilverde kandelaars met dito dopies met het Wapen van den Heere Holbach", een tinnen "terrine met een deksel met het Wapen van Holbach" en een "Swartsagrijne voudraal met vier Cadrilledoosjes, met het Wapen van den Baron de Holbach geamiljeert". Maar de wandtapijten waarvan in 1756 sprake was, werden in 1767 niet meer aangetroffen. In de grote eetzaal was wel "een Tapijte Behangsel, verbeeldende de Historie van Alexander de Grote en den Koning Darius". Verder wordt nog genoemd "Een Tapijte Behangsel Op de HoekTapijtKamer op de kleijne Gallerije". De andere kamers worden in de lijst vernoemd naar de kleur van het (papieren) behang dat er werd aangetroffen. Steeds werd van dat papieren behang wel gezegd dat het "gedrukt" was. In de kleine eetzaal vond men "Een Engelsch goud leere Behangsel".(20)   

 

Edesheim, Heeze of toch liever Parijs

De verbouwing op het kasteel van Heeze kreeg het jaartal 1735. Twee jaar later vroeg Franz Adam de Hoogmogende Heren Staten-Generaal van de Republiek der Verenigde Nederlanden toestemming tot uitbreiding van de schuurkerk in Heeze. Hij zou dan bij een bezoek aan de kerk meer ruimte hebben voor hemzelf en zijn familie.

Na 1737 leek het enthousiasme voor Heeze bij hem weg te ebben. Wel bleef hij ernaar streven direct nabij het kasteel grond te verwerven. Opvallend genoeg liet hij taxaties en grondaankopen door anderen regelen. Bij de aankoop van grond op 8 november 1738 bijvoorbeeld liet hij zich vertegenwoordigen door Christina Galliot, die op het kasteel woonde en gehuwd was met François Mace.(21) Een kleine tien jaar later verrichtte neef Paul soortgelijke handelingen in naam van zijn oom.(22)

Voelde Franz Adam zich na 1737 nog wel thuis in Heeze? Die vraag kan men later eigenlijk ook stellen ten aanzien van de neef.

Bekend is dat hij in de jaren twintig een jaar of vijf nadrukkelijk aanwezig was in zijn geboorteplaats. Rond 1726 dook hij weer op in Parijs. De verontwaardiging over het jammerlijk fiasco van het stelsel van Law was er geluwd. In de jaren 1730 en 1731 is hij weer in de Palts. Zou hij daar, na de aanvaring met de prins-bisschop, nog met genoegen zijn teruggekomen?

Ongeveer een soortgelijke periode van vijf intensieve jaren is Franz Adam tijdens de jaren dertig in Heeze. En na 1737? Was hij toen voornamelijk in Parijs?

De machtiging die hij in 1738 verleende aan Christina Galliot is niet anders te verklaren. Of we moeten denken dat hij in die tijd ziek was. De machtiging aan zijn neef in de jaren veertig van die eeuw is beter te verstaan. Op kosten van zijn oom was neef Paul aan de universiteit van Leiden rechten gaan studeren. De Oostenrijkse Successieoorlog (1740-1748) - een Europees conflict om een Oostenrijkse opvolgingskwestie - bracht troepenbewegingen met zich mee in de Zuidelijke, de zogenaamde Oostenrijkse Nederlanden, en in het gebied van de tegenwoordige provincies Noord-Brabant en Limburg. Doordat Frankrijk in deze oorlog verbonden was met Pruisen tegen Oostenrijk, dat weer samenging met Engeland, was het reizen van Heeze naar Parijs en omgekeerd ernstig bemoeilijkt. Vandaar dat neef Paul in die roerige jaren voornamelijk in Leiden en in Heeze verbleef. De winter bracht hij door bij zijn vader in de Palts. 

Aan een Engelse studiegenoot schreef Paul op 9 augustus 1746 dat hij bij aankomst in Heeze (vanuit Leiden) moest constateren dat het landgoed van zijn oom door militairen in bezit was genomen. "Zestienduizend manschappen zijn", zo schreef hij, "onlangs van de omgeving van Breda naar Valkenswaard gekomen". De volgende dag vertrok het zeventigduizend man sterke leger in de richting van Luik om een belegering van Namen door de Fransen te voorkomen. Op 3 december 1746 schreef hij dat hij de winter in Duitsland had willen doorbrengen. Dat kon niet doorgaan omdat hij daar bericht kreeg dat de rentmeester van zijn oom plotseling was overleden. Paul reisde af naar Heeze en nam er tijdelijk de rol van rentmeester over. Als bijdrage voor een antwoord op onze vraag of de Holbachs - en in dit geval neef Paul - zich in Heeze thuisvoelden, is dan het volgende belangrijk. Paul vervolgde zijn brief met de mededeling dat hij intussen de rol van landjonker tamelijk goed speelde met jagen, schieten, vissen en elke dag wandelen. Hij schreef echter tegelijk daardoor toch niet de altijd aantrekkelijke conversatie met Horatius, Vergilius, Homerus en al de vrienden van de Champs-Elysées te vergeten. In dit bericht over het noodgedwongen verblijf in Heeze komt de enige uiting voor van een overigens beperkte vreugde om hier te zijn. Want eigenlijk had hij de winter in Duitsland willen doorbrengen en speelde hij de rol van landjonker slechts 'tamelijk goed'. Die tijdelijke rol kon hem Parijs niet doen vergeten.

In 1749 laat de politieke situatie weer toe dat Paul vanuit Nederland naar Parijs doorreist. Daar zal hij zich ook vestigen. Hij krijgt er de Franse nationaliteit. Op 3 februari 1750 trouwt hij daar met de oudste dochter van zijn nicht Suzanne. Bij die gelegenheid ontvangt hij de Brabantse heerlijkheid als huwelijksgift. Drie maanden later is hij even in Heeze. Het is niet bekend of zijn vrouw is meegekomen. Op het kasteel heeft hij in een contract zijn 'heerlijke rechten' vastgelegd. In dat contract treffen we de tirade aan tegen "die van het gehugt genaamd het Bruggerhuijs".(23)  Na ondertekening van dat contract keert hij naar Frankrijk terug. In Parijs zal zijn vrouw in 1753 bevallen en een jaar later sterven. Weliswaar hebben we juist gezien dat Paul in de zomer van 1756 "present" was in Heeze voor het opmaken van de inventarislijst. Maar er staat in het verslag over het opmaken van die lijst uitdrukkelijk dat hij "expres" uit Parijs is overgekomen vanwege, zoals we zagen, "verscheidene irregulariteiten" in een eerder opgemaakte lijst. Het verslag van 17 juli 1756 begint met te zeggen dat hij was "gedosimilieert tot Parijs in de straat St. Nicaise..." Op bijna dezelfde dag verkoopt hij de heerlijkheid. Ten gevolge van het overlijden van de koper gaat die verkoop uiteindelijk niet door.(24) In 1757 verhuist hij in Parijs naar de Rue Royale St. Roch vanwaaruit de intellectuele disputen en de weelderige gastmalen een nog grotere bekendheid zullen gaan krijgen. In Parijs was hij intussen, in 1756, hertrouwd met de zuster van zijn eerste vrouw, ook een achternichtje dus. In 1759, op 13 januari en op 19 december, zal zij er bevallen van twee dochters. Op 19 mei van datzelfde jaar werd de heerlijkheid voor vierhonderdduizend livres overgedaan aan Jan Maximiliaan van Tuyll van Serooskerken. Paul heeft dus nimmer als kasteelheer in Heeze gewoond!

 

Valkerij

In de inventarislijst van 1756 lezen we dat er op het kasteel een kamer voor de jager was. Een van de taken van de jager was vossen af te schieten om zo het wild op peil te houden voor jachtpartijen. Zijn er in de periode van de Holbachs vaak zulke partijen geweest? Er is niets van bekend terwijl er wel gedocumenteerde jachtboeken bestaan uit de tijd van de kasteelheren die na hen gekomen zijn. De vermelding van de jacht in Pauls brief van 1746 moet meer als een persoonlijke anekdote worden gelezen.

Belangrijker is de vraag of met name Franz Adam iets van doen heeft gehad met de valkerij. In de kamer van de jager zijn we niets tegengekomen dat in die richting wijst. We lezen niets over valkenkap, huif, valkenhuis, valkeniershandschoen of kagie. Dit is om twee redenen verwonderlijk. Franz Adam kwam uit de Palts. Juist de keurvorst van de Palts was uitermate actief in die tak van sport. Hij had een vijftal valkeniers uit Valkenswaard in dienst in de tijd toen Franz Adam kasteelheer werd. De tweede reden is dat Franz Adam in zijn heerlijkheid juist zeggingsmacht had over die uitgestrekte heide waarop de valkenvangst geconcentreerd was.

Ook dat onderdeel van het leven op het platteland heeft hem noch zijn neef aangesproken.

 

Gestrande verkoop

Als antwoord op de vraag of Franz Adam nog langer groot plezier beleefde aan het verblijf in Heeze moeten we na het voorgaande concluderen dat hij na 1737 zijn kasteel het liefst van de hand had gedaan. In 1739 ging dat ook gebeuren, althans...  Zeven jaar na de aankoop verkocht hij de heerlijkheid aan "Jacob Christiaan Pielat, Raed en Burgemeester der Stadt Hattem en wegens de Provincie van Gelderland gecommiteert in het Edele Mogende Collegie van de Generaliteitskamer". De eerste ondertekenaar van deze akte "gedaen op 11 september 1739" was "Le Baron De Holbach" en de tweede "J.C. Pielat".(25)

Helaas ontstond er al spoedig onenigheid over de uitleg van bepalingen uit de overeenkomst. Die misverstanden zouden kunnen leiden tot langdurige gerechtelijke processen. Daarom werd besloten de hele exercitie af te blazen. Op 5 november 1739 werd de verkoop, via gemachtigden, geannuleerd.(26)  

In deze verkoop was overigens niet alleen de heerlijkheid begrepen zoals Franz Adam die in 1732 had aangetroffen. Ook gingen drie stukken grond over die hij tussen 1733 en het moment van deze verkoopakte zelf had aangekocht. Het betrof een perceel in Tongelre bij Eindhoven, een op "Klein Braekhuyzen" (Geldrop) en grond, bedekt met heesters en ander hout te Dommelen bij Valkenswaard. Deze drie stukken grond hadden eigenlijk geen betekenis voor Franz Adam. Dat hij ze toch gekocht heeft, hing wellicht samen met zijn instelling van rijke weldoener. Misschien zaten de verkopers dringend verlegen om liquide middelen. In 1767 bleek de familie Van Tuyll van Serooskerken het perceel op "Klein Braakhuyzen" nog in bezit te hebben. Het is dus bij de verkoop door Paul in 1759 mee overgegaan naar de nieuwe kasteelheer.

 

Schenkingen met signatuur

Wanneer men de activiteiten van Franz Adam in Edesheim en Heeze van 1720 tot ongeveer 1740 overziet, valt op dat hij er bijzonder trots op was tot de adel te zijn gaan behoren. Alles wat ervoor in aanmerking kwam, voorzag hij van jaartal en wapen.

Een van de eerste tekenen van deze lust tot signeren treffen we aan op een tinnen bord uit 1699. Op de rand ervan liet hij zijn familiewapen aanbrengen en het jaartal 1720.

In Edesheim heeft lange tijd centraal in het dorp een vierkante sokkel gestaan waarboven een kruisbeeld. Op die sokkel zijn het wapen van Franz Adam gebeiteld en het jaartal 1722. Toen na de Tweede Wereldoorlog een gedenkteken werd gepland voor de Edesheimer gevallenen van de eerste en tweede wereldbrand, werden in verband daarmee sokkel en kruisbeeld verplaatst naar een plek dichter bij de kerk, waar ze nu nog staan.

De bouw van het slot in Edesheim dateerde hij, evenals de verandering en uitbreiding van de paardenstallen van het kasteel van Heeze.

Eerder hebben we al gezien dat hij ook binnen in zijn woningen vele zaken van zijn merkteken voorzag. We zien het eveneens op zijn schenkingen. Nemen we als voorbeeld het kazuifel dat hij schonk aan de kerk van Heeze. Op een wit moiré kazuifel liet hij - niet bijzonder smaakvol - twee keer zijn Wapen aanbrengen.

 

"Het kazuifel van Heeze"

De Martinusparochie in Heeze bezit ook een ‘driestel met koorkap’. Omdat ook in dit verband de naam van Franz Adam als schenker valt, is het zinvol de vraag te stellen of hij er echt wel de gever van is. Voor een begin van antwoord op die vraag gaan we allereerst terug 'naar de bronnen'. In het archief van de parochie van de H. Martinus te Heeze zijn twee zogeheten 'Memoriales Parochiae de Heze'. Het oudste memoriale is van 1813 en van de hand van pastoor J.B. de Zeeuw. Op folio 27 ervan lezen we: "Den besten kazuifel van allerkostelijkste zijden stof met goud doorweven is volgens traditie van een van de Heren Holbach. Die stof zou hij mee hebben gebracht uit Perzië en zou gediend hebben voor een mantel. Ook is van de Heren Holbach een andere witte Kazuifel waar in een kruis met grote bloemen met goud doorweven in welker kruis staat 't wapen van Holbach ..." Wat wil dit memoriale zeggen met de woorden "Den besten Kazuifel"? Wordt er het kazuifel van het 'driestel met koorkap' mee bedoeld? In dat geval is het niet duidelijk waarom de andere kostbare gewaden van dat stel niet worden genoemd. Hebben de woorden "Den Besten Kazuifel" misschien betrekking op een niet meer bestaand, althans niet meer in Heeze aanwezig gewaad? De gebezigde woorden geven aanleiding tot verwarring. In de tekst van dit oudste memoriale komt ook de uitdrukking "volgens traditie" voor. Dat houdt in dat er in 1813 geen schriftelijk bewijsstuk (meer) was van deze schenking.

           

Verder lezen we: "Die stof zou hij hebben meegebracht uit Perzië". Na de woorden "volgens traditie" volgt dus het vage "zou". Of een van de Holbachs ooit in Perzië is geweest, op die vraag kom ik straks nog terug. Op dit moment mogen we al concluderen dat de aangehaalde tekst van dit memoriale aarzelend en niet duidelijk is.

Maar, zoals gezegd, er is nog een memoriale. Dit wordt 'de dikke' genoemd en is van 1884, van de hand van deken B. Kemps. Daarin lezen we op folio 25 waar het gaat over de Holbachs het volgende. "Ook heeft de Kerk van hun het beste casula ontvangen. Het bestaat uit een allerkostbaarste stof geheel en al met goud doorweven. En zoude naar men zegt medegebracht zijn uit Perzië, en vroeger gediend hebben voor eenen mantel. Ook vind ik hier nog een casula waarin een kruis waarop het wapen van de Familie Holbagh geborduurd."

Een groot verschil met de tekst van het oudste memoriale is dat in 'de dikke Memoriale' niet meer staat "volgens traditie". Het wordt als een vaststaand feit gezien dat de Holbachs de schenkers zijn van “het beste casula". Ook hier blijft echter onduidelijk welk kazuifel wordt bedoeld. Verder staat er in deze tekst: "zoude naar men zegt" en vervolgens "medegebracht zijn uit Perzië". In vergelijking met de tekst van het oudste memoriale blijft ook in 'de dikke' de aarzeling over de herkomst van de stof gehandhaafd. Alleen hoeven nu de Holbachs niet zelf naar Perzië te zijn geweest. In Caput Nonum, folio 132, herneemt dit memoriale de eerder geschreven tekst nog eens:

"Onder de ornamenten verdienen voor al aanmerking om deszelven oudheid een stel van drie met coorcap zijnde van gouden moor en zeer oud borduursel. Een casula, volgens traditie uit Perzië afkomstig en gegeven door den Baron de Holbagh is een doorweven van goud en rood."

Tot zover de beide bronnen in het archief van de parochie van de H. Martinus te Heeze.

Over het kazuifel van het 'driestel met koorkap' verscheen in 1961 een boek met fraaie foto`s van Martien Coppens en een prachtige tekst van Anton van Duinkerken. Die tekst begint zo: "Naaldwerk in gouddraad en zijde; bourgondische tijd of iets later; voorstellingen uit het leven van Maria; zeven taferelen met de geboorte van Christus als middelpunt; vervaardigd in Zuidelijk Nederland; afkomstig uit het kasteel Heeze in Noord-Brabant; thans bewaard in de dekenale kerk aldaar; na de tweede wereldoorlog zorgvuldig hersteld van de langdurige verslijting."(27) De rest van het verhaal is uitwerking van deze beginregel. Over de herkomst van het kazuifel schrijft Anton van Duinkerken: "Afkomstig uit het kasteel heet het kazuifel van Heeze".

Het werkwoord "heet" is hier bepalend. Want: "Dit is alles wat er over te vertellen valt. De rest moet worden aangevuld door de verbeeldingskracht van de toeschouwer."

De kernvraag is nu of de uitdrukkingen "het beste casula" of "Den besten Kazuifel" uit de beide memoriales ook het kazuifel bedoelen waarover het verhaal van Anton van Duinkerken gaat. Zou dat kunnen?

Als de stof door de schenker zelf uit Perzië is meegebracht dan kunnen deze paramenten, dan kan dit kazuifel niet afkomstig zijn van een Holbach.

Het is in de Zuidelijke Nederlanden vervaardigd ruim twee eeuwen voordat er een Holbach kasteelheer in Heeze werd. Bovendien is geen van de twee Holbachs ooit in Perzië geweest. Reislust, zoals de achttiende-eeuwse kosmopolieten het reizen naar vreemde oorden als een bron van vreugde en ontwikkeling beleefden, die reislust bezaten de Holbachs niet. Voor hen geen verre tochten naar het onbekende met diligence, berline, calèche of chaise. En toch, van postkoets of huurrijtuig waren ze niet afhankelijk omdat ze zelf equipage hielden. Vrienden van hen zoals Diderot gingen op reis en ongetwijfeld moeten ze hebben gehoord van de spraakmakende reisgids The Grand Tour van Thomas Nugent. Deze gids verscheen in 1743.

Bepalend voor hun leven was echter de driehoek Edesheim, Parijs en Heeze. Het is niet onwaarschijnlijk, zoals we hebben gezien, dat Franz Adam begin 1720 met een duidelijk doel naar Wenen is gereisd, maar daarvan is tot op heden nog geen schriftelijk bewijs gevonden. Er wordt ook gefluisterd dat hij in Louisiana (Amerika) is geweest. Een prikkelend gerucht maar niets, geen enkel schriftelijk bewijs, evenmin als zijn manier van leven in Parijs tot 1720, rechtvaardigt deze fluistering.

En Paul, de neef dan, heeft die niet gereisd?

Paul is in 1744 vanuit Parijs met een bediende naar de universiteit van Leiden vertrokken. Daar heeft hij een aantal jaren gestudeerd. Tijdens vakanties was hij in Heeze en Edesheim. We weten dat hij in 1749, toen de Oostenrijkse Successieoorlog voorbij was, weer in Parijs verbleef. Toen zijn eerste vrouw daar op 27 augustus 1754 overleden was, heeft hij samen met baron Grimm een korte reis gemaakt naar Lyon, Marseille en Montpellier.(28) Hij hoopte daarmee zijn verdriet over het verlies van zijn vrouw te boven te komen. Eenmaal, in 1765, is hij in het belang van een vroegere Engelse medestudent naar Engeland geweest. Die oversteek van het Kanaal had een duidelijk doel en werd niet gemaakt om het reizen op zich.

Niet alleen dus werd het kazuifel, waarover het hier gaat, vervaardigd tweehonderd jaar voordat Franz Adam naar Heeze kwam, niet alleen is hij (noch ook zijn neef) ooit in Perzië geweest, maar er is nog een derde reden waarom dit kazuifel geen geschenk van hem kan zijn. Franz Adam schonk niets of aan de gift moest te herkennen zijn dat hij de gever was. Welnu, op deze Bourgondische paramenten van de kerk in Heeze is geen enkel teken als zodanig te verstaan, ook niet vanuit de voorstellingen op deze gewaden zelf.

Blijft over de mogelijkheid dat neef Paul deze oude liturgische gewaden in Frankrijk of België heeft gekocht en ze heeft geschonken aan de kerk in Heeze. Bij gelegenheid van zijn huwelijk in 1750 had hij namelijk, zoals we gezien hebben, de heerlijkheid als huwelijksgift van zijn oom gekregen. Maar het grote geld ontving hij pas drie jaar later. Samen met Suzanne d'Aine-de Westerbourg, die zijn nicht en schoonmoeder was, erfde hij het grootste gedeelte van het vermogen van zijn oom toen deze in 1753 op 5 september in Parijs stierf.(29)

Heeft hij dan na 1753 deze onvoorstelbaar mooie en kostbare gewaden aan de kerk van Heeze geschonken? Het is absoluut onaannemelijk. Zijn hart lag niet in Heeze. Zijn leven, zijn toekomst lagen in Parijs. Daar namen zijn intellectuele werkzaamheden hem reeds geheel in beslag. De gesprekken en banketten in zijn "Salon" werden toen 'the topic of the day' in de Parijse beau monde. Paul was dan ook blij in 1756 een koper voor de heerlijkheid te hebben gevonden.

Er kwam een 'onverbrekelijk' contract van koop tot stand tussen "Paulus Thirry de Holbach" en de Rotterdammer "Jan van Oudshoorn". Als eerste ondertekende "P.T.  D'Holbach" en vervolgens "Joan van Outshoorn". Dat gebeurde in Heeze op 16 juli 1756.(30) Twee maanden later, nog voordat de kooppenningen voldaan waren, kwam de Rotterdamse koopman te overlijden. Op 26 februari 1757 verklaarden de twee gemachtigden van de koper en verkoper "de acte van coop te annuleren". Zo kwam Paul weer in het volle bezit van de heerlijkheid en ontving hij van de erven Oudshoorn bovendien twaalfduizend livres als schadeloosstelling. Een paar maanden later moest dezelfde Paul worden aangemaand uit de tiendrechten een bedrag te betalen van f 144,- voor reparatie van de grote kerk van Heeze.

Met zijn desinteresse voor zijn bezit in Brabant deed Paul aan de kerk in Heeze geen dure schenking van kostbare zijde en brokaat. Dan zou eerder de kerk St. Roche, zijn parochiekerk in Parijs, daarvoor in aanmerking komen of de huiskapel van het landgoed Grand-Val, bij Sucy-en-Brie, niet ver van Parijs. Daar zou hij er grotere eer mee inleggen en er bovendien zijn radicale denkbeelden door maskeren.

Behalve door zijn intellectuele werk werd in die tijd zijn aandacht ook in beslag genomen door een drietal overlijdens. Zijn eerste vrouw stierf op 27 augustus 1754. Voor haar liet hij in Heeze een plechtige begrafenismis zingen. Twee jaar later stichtte hij er een fundatie voor een jaarlijkse herdenking van de dood van zijn vrouw en die van zijn oom Franz Adam. In 1755 stierf zijn schoonvader, Nicolas d'Aine. Hij kocht diens ambt van 'raad en secretaris van de koning'. Vanaf dat moment ging hij ook horen tot de Franse adel.

In 1756, op 9 april, overleed zijn vader in Edesheim. Datzelfde jaar hertrouwde Paul met de zus van zijn eerste vrouw.

Intussen trokken zijn intellectuele activiteiten al zozeer de aandacht dat hij in 1754 werd benoemd tot lid van de Berlijnse 'Akademie'.

Inzake de herkomst van dat prachtige driestel met koorkap uit de kerk van Heeze kunnen wij nu verantwoord een stap verder gaan dan de voorzichtige formulering van Anton van Duinkerken: "Afkomstig uit het kasteel heet het…   ", maar zeker niet van een Holbach.

Franz Adam 'merkte' zijn schenkingen en behoudens een fundatie heeft Paul nimmer iets substantieels aan kasteel of kerk in Heeze geschonken.(31) Wel blijft denkbaar dat Franz Adam door een financiële bijdrage restauratie van het kazuifel mede mogelijk heeft gemaakt.

 

De dood van Franz Adam

We hebben gezien dat Franz Adam in Parijs is gestorven op 5 september 1753. Hij was toen ongeveer 78 jaar oud. Over de laatste drie jaren van zijn leven weten we verder niets. Het is evenmin bekend waar hij begraven is. Dat is merkwaardig. Van zijn neef Paul weten we bijvoorbeeld wel dat die na zijn dood werd bijgezet in de crypte van de St. Roche in Parijs; van enkele van diens nakomelingen weten we dat ze liggen op de bekende begraafplaats 'Père Lachaise' maar waar de stichter van het familiekapitaal is begraven, is onbekend.

Er is iets belangrijkers dat we van hem niet weten. Het is niet bekend in hoeverre de gedachten van deze oom en weldoener neef Paul op de weg hebben gezet naar een verregaande radicaliteit in denken over mens, godsdienst, moraal, maatschappij. In de denkbeelden die de neef heeft geuit in zijn Système de la nature, in zijn Le Bon Sens, in zijn La Morale Universelle en in zijn Essai sur les préjugés - om enkele van zijn belangrijke werken te noemen -, in de denkbeelden die daarin doorklinken heb ik een bloedernstig streven ervaren om de mens te bevrijden van het denken vanuit vooroordelen, opinies of de waan van de dag. Heel serieus staat deze filosoof van de Verlichting voor een cultuur van zelfontplooiing. Waardoor werd zijn radicale denken geïnspireerd?

Over die denkbeelden alsook over zijn maatschappelijk-familiale leven wil ik het op een andere keer hebben. Mogelijk komen we dan tevens op het spoor welke rol Heeze en Leiden hebben gespeeld in de ontwikkeling van deze Franse wijsgeer. En belangrijk is ook een antwoord te zoeken op de vraag 'wat zijn geheim is dat hij nu, juist nu, tot de verbeelding blijkt te spreken'.

 

 

 

 

Het wijnbouwersdorp Edesheim ligt aan het snoer van wijndorpen dat de Deutsche Weinstrasse heet. Van de toppen van de hellingen kijken talrijke kasteelruïnes neer op de oleanders, vijgenbomen, citrusplanten en amandelbomen van dit Duitse Toscane.

De wijnstokken kleven aan de hellingen maar daar niet alleen. In Edesheim groeien ze tot aan de ramen van de huizen. Ze groeien er zelfs uitbundig op het voormalige kerkhof!

Het mooiste gezicht op Edesheim?

Als de reiziger afdaalt van het schilder-achtige Rhodt unter Rietburg naar Edesheim.

Wanneer de zon dan even de daken van de kerk, van het Edesheimer Schlosz en, daartussenin, van het Kupperwolf Schlosz wil aanraken dan ervaart de bezoeker een verrukkelijk schouwspel van licht en donker. 

Zodra hij in Edesheim komt, ruikt hij de volle geuren van de meirozen. Ondanks die bedwelming kunnen hem de gedenkplaten van de Holbachs niet ontgaan.   

 

 

NOTEN

Algemene opmerking

De familienaam van de hier besproken personen komt in oude geschriften en in andere teksten in allerlei varianten voor: Holbach, Von Holbach, De Holbach, D'HoIbach.

Zie bijvoorbeeld het onderschrift bij de foto op bladzijde 161. Op de gedenkplaat rechts van de ingang van slot Kupperwolf in Edesheim is in de Duitse tekst sprake van Franz Adam Baron v. Holbach en van Paul Thiry Baron D'Holbach.

In dit artikel zijn eveneens allerlei varianten door elkaar gebruikt.

1      Het is tragisch dat juist in Holbachs boeken een ernstige vorm van determinisme deze idealen in de weg gaat staan.

2      In de tekst van dit verhaal zal de oom als Franz Adam worden aangeduid, de neef als Paul.                   

3       Streekarchief Regio Eindhoven (SRE) te Eindhoven. Archieven van de schepenbank Heeze, Leende en Zesgehuchten, 1400-1810, inv.nr. 1755, fol. 29-40.

4      Vlak bij Edesheim ligt de stad Landau die toentertijd tot het Franse gebied hoorde. Het is goed denkbaar dat de vader van Franz Adam daar een zakelijke relatie kende die zorg heeft gedragen voor  een eerste opvang in Parijs.

5      Hans Mercker, Nachlese, Edesheim, 1994. De auteur van dit werk, de aimabele professor aan de universiteit van München (waar hij doceert inzake leven en werk van Romano Guardini), heeft mij het  Edesheim van Holbach laten proeven. Uit zijn boekenkast schonk hij me een van de laatste exemplaren van zijn uitverkochte boekje Nachlese, waarvan ik voor de Duitse teksten van de oorkonden gebruik heb kunnen maken.

6      Dr. Jan de Vries, Dr. Ad van der Woude, Nederland, 1500-1815,' de eerste ronde van moderne economische groei, Amsterdam, 1995.

7      Zie 5.

8      Norbert Elias, Het Civilisatieproces, Utrecht/Antwerpen, 1982.

9      "... in frembdem lande als ein Aussländer mühsam hat durchbringen müssen …, von dem Allerhöchsten mit einem solchen Segen…,  beglückt worden ..." Urkunde v. 1720, S. 2, zie 5. Met de      term 'Franse oorlogen' doelt Franz Adam op de Negenjarige Oorlog (1688-1697), de derde veroveringsoorlog van Lodewijk XIV tegen de Palts, dat door de Fransen werd verwoest, en op de Successieoorlog van 1689 in de Palts zelf.

10   Urkunde v. 1720, S. 3, de 5. Urkunde v. 1721), S. 3-4, omschrijft het toegekende familiewapen als volgt: "... als mit Nahmen einen blau-oder lasurfarben Schild durch welchen nach zwerg (= quer) ein         weiss- oder silberfarben Wasserfluss gehet. Unter diessem zeiget sich ein, oberhalb aber zwei gelb- oder goldfarbe sechseckigte Stern. Auf dem Schild steht mit einem weiss und blau vermischt gewundenen Bund ein offentlicher (= geöffneter) adelicher Turniers-Helm mit anhangendem Kleynod, rechter seits mit weiss und blau, linker seits mit gelb- oder gold- und blau- oder lasur-farb vermischt herabhangende Helmdecken gezieret. Auf dem Bund erscheinen zwey …  einwerts gekehrte Adlersfliegel durch, und auf jedem die im Schild beschriebene Wasserflüss und Stern zu ersehen seynd ..."

11   Urkunde v. 1728, S. 8-9, zie 5.

12   Schlosz Kupperwolf is voor vele doeleinden gebruikt. Het is nu al generaties lang als woning in handen van de familie Püttmann. In het hoofdgebouw woont de sympathieke Prof. Dr. Uwe Möhring, die met  een van de dames Püttmann is getrouwd.

13   Jansenisme is een beweging met strenge opvattingen binnen de katholieke kerk, vooral in Frankrijk en de Nederlanden, waarvan Corn. Jansenius (1585-1638) een van de grondvesters is.

14  Het vergt een apart artikel om te beschrijven op welke wijze Franz Adam (en later ook zijn neef Paul) omging met zijn macht bij de uitoefening van 'de heerlijke rechten'.

15   SRE te Eindhoven. Archieven van de schepenbank Heeze, Leende en Zesgehuchten, 1400- 1810, inv.nr. 1669, fol.59v-66, 1 juni 1756.

16   Maria Barbara Hansin is in Heeze huishoudster geweest van Franz Adam. Zij bleef op het kasteel wonen toen Paul heer van de heerlijkheid werd. Zij bleef er ook toen baron Van Tuyll van        Serooskerken en diens vrouw de heerlijkheid hadden overgenomen. Zij overleefde hen beiden. Haar naam wordt door derden wel geschreven als "Hanssen", maar haar handtekening laat duidelijk lezen: "Marie barbe Hansin". Op een inventarislijst van 1767, waarop we verder in het verhaal nog terugkomen, staat de volgende anekdote over haar. "Op het daar naast Zijnde Booje Kamertie bevind zig een Bed, een Peluw, een Kussen en een Matras, gemerkt no 11 't geene Volgens Zeggen van Maria Barbara door wijlen de Vrouwe Tuijll van Serooskerken aan dezelve is present gedaan en zulx in plaatse van Oud en Slegt Beddegoed, 't geene gemelde Maria Barbara van Wijlen den Heere Holbach gekreegen had."

17    SRE te Eindhoven. Archieven van de schepenbank Heeze, Leende en Zesgehuchten, 1400- 1810, inv.nr. 1669, fol. 79 e.v., juli 1756. In feite zijn er 95 opsommingen omdat het nummer 51 twee keer is gebruikt.

18     De benaming 'Groenwerken met figuur' komt voor in Elisabeth Kalf, Waar legwerk hangt, Alphen aan den Rijn, 1988. Heel attent wees mevrouw Marianne Hulsman uit Heeze me daarop.

19      Kunsthistorici spreken meestal van 'de slag bij Arbela'. In werkelijkheid vond het gevecht ca. 45 km ten westen van Arbela plaats, bij Gaugamela.

20      Kasteelarchief Heeze te Heeze, C 30, 1767. De immer meedenkende en hulpvaardige heer C.S. Smit uit Heeze maakte me attent op het bestaan van die lijst. Het daarin vermelde zilver, porselein, tin, linnengoed en de beschrijving van de voorstellingen van de vele portretten maken het lezen van die lijst tot een waar genoegen. Duidelijk wordt dan ook dat hier een echtgenote in huis was. Daarom waarschijnlijk het grote verschil met de veel minder 'rijke' inventarislijst uit de tijd van de Holbachs.

21      SRE te Eindhoven. Archieven van de schepenbank Heeze, Leende en Zesgehuchten, 1400- 1810, inv.nr. 1711, fol. 81-83, 8 november 1738.

22      SRE te Eindhoven. Archieven van de schepenbank Heeze, Leende en Zesgehuchten, 1400- 1810, inv.nr. 1712, 17 november 1746; inv.nr. 2330, 13 en 26 juni 1748.

23       SRE te Eindhoven. Archieven van de gemeente Heeze, 1575-1945, inv.nr. 25, fol.110v/111, 27 mei 1750. Zie ook Leo Driessen, 'Paul Henri Thiry baron d'Holbach. Revival van zijn denkbeelden. Voor een cultuur van zelfontplooiing' in Heemkronyk, jrg. 39 (2000), nr. 3, blz. 125-133.

24        SRE te Eindhoven. Archieven van de schepenbank Heeze, Leende en Zesgehuchten, 1400-1810, inv.nr. 1669, fol. 101-104v, 16 juli 1756. Zie ook C.S. Smit, 'Een vergeten heer van Heeze?' in Heemkronyk, jrg.24 (1985), nr. 2, blz. 40-44.

25         SRE te Eindhoven. Archieven van de schepenbank Heeze, Leende en Zesgehuchten, 1400- 1810, inv.nr. 1664, fol. 1-6, 11 september 1739.

26          SRE te Eindhoven. Archieven van de schepenbank Heeze, Leende en Zesgehuchten, 1400- 1810, inv.nr. 1664, fol. 20v-22v, 5 november 1739.

27          Anton van Duinkerken, Het Kazuifel van Heeze, Eindhoven, 1961. Herdruk in Verzamelde Geschriften, III, Utrecht/Antwerpen, 1962. Beatrice Jansen spreekt in Laat Gotisch Borduurwerk in Nederland, 's-Gravenhage, 1948, van "versierd met borduurwerk in zijde en gouddraad in broderie Moyen Age". Wat de voorstellingen op het kazuifel betreft ziet de schrijfster overeenkomsten met die op een   koorkap van het Musée du Cinquantenaire in Brussel. De stijl van de tekening wijst naar de kant va Jan Gossaert (1478-1532) die als schilder, tekenaar en graveur heeft gewerkt voor Filips van Bourgondië. De beide vriendelijke en zorgzame 'draagsters' van het archief van de parochie van de H. Martinus in Heeze, de dames Zus Vertogen en Diny Verest, attendeerden me ook op de catalogus De Madonna in de Kunst, Antwerpen, 1954. Daarin wordt van 'het kazuifel van Heeze' gezegd: "Broderie Moyen Age; Neder-Rijns ca. 1540".

28         Pierre Naville, Paul Thiry D'HOLBACH et la philosophie scienrifïque au XVIIIe siècle, Paris, 1943. Nieuwe uitg. Paris, 1967.

29          De inhoud van de wijnkelder van het slot te Edesheim was toegewezen aan nicht Suzanne en neef Paul in Parijs, het slot zelf werd geschonken aan twee halfzusters van Franz Adam. Zij hebben het vrijwel meteen verkocht.

30          Zie 23.

31           Over die fundatie staat in Caput IV, fol. 49, van het tweede memoriale: "Van deze gift en geannexeerden last vind ik geen bewijzen dan de traditie".