Heemkronijk jaar:1986, jaargang:25, nummer:1, pag:12 -21

VLIEGTUIGBOUW  IN LEENDE

door A.L.M.Th. Veldhuizen-van Geffen

 

 

 

EEN DROOM

Het vliegtuig zal in de toekomst hét vervoermiddel bij uitstek worden, dacht Harry van Kuyk, terwijl hij in de zomer van 1941 naar de helblauwe hemel tuurde, waar de warrige condensstrepen van de geallieerde vliegers een beeld tekenden van vrijheid en lokkende verten. Het is een van de knapste uitvindingen van deze eeuw en in de toekomst zullen we er heel wat van nodig hebben; en dat betekent . . .  fabrikage, industrie, fabrieken en werk, veel werk! Tenminste, wanneer deze ellendige oorlog voorbij is en wij weer vrij zijn om te gaan en te staan waar we willen. Zó lang kan het toch niet duren?! De burgerluchtvaart zal zich uitbreiden en net als in Amerika zullen de grote N.V.'s hun eigen machines aanschaffen, want de toekomstige zakenman moet zich snel kunnen verplaatsen op een tijd die hemzelf het beste uitkomt.

Ik heb huizen en zwembaden gebouwd, kerken gerestaureerd en een goed lopende fabriek opgericht. Met een halve eeuw ontwerpen, ondernemen en sukses als bagage kan en durf ik op dit stramien iets geheel nieuws opzetten. IK GA VLIEGTUIGEN BOUWEN! En dan beginnen met een klein vliegtuigje, fantaseerde Harry verder, voor vier personen en dan langzaam uitbreiden . . . en hij dacht aan Leende, aan zijn ge- boortedorp, waaromheen grond genoeg te koop was voor een habbekrats.

Zo ongeveer moet de dynamische Harry van Kuyk gedroomd hebben; hij was het prototype van de 'self-made man', overtuigd van eigen gaven en zijn groot Godsvertrouwen was geen geheim! En droombeelden had hij nog altijd omgezet in tastbare geslaagde projekten, waaraan hij en zijn medewerkers een goede boterham verdienden. Zijn dromen zette hij onmiddellijk om in daden! Aangezien hij geen snars verstand had van vliegtuigbouw, ging hij op zoek naar iemand die dat wel had en die vond hij in de figuur van ingenieur Van Lammeren, docent vliegtuigbouw aan de toenmalige M.T.S. in Haarlem (de enige in Nederland waar dat vak onderwezen werd) en in de vliegwereld een zeer bekende naam.

Van Lammeren zag wel iets in het idee van Harry van Kuyk, maakte een ontwerp, liet hiervan een klein model maken en ging ermee - in het diepste geheim-  naar het Nationaal Luchtvaartlaboratorium om het te laten testen.

Daar ontmoette hij - het was inmiddels begin 1943-  ingenieur Max Farjon, een vroegere leerling van hem.

De heer M. Farjon, nu gepensioneerd en wonend in Leender-Strijp , vertelt het nu volgende verhaal.

 

HOE  HET  ALLEMAAL  BEGON

Nadat ik in 1941 afgestudeerd was voor vliegtuigbouw aan de M.T.S. (nu de H.T.S.) te Haarlem, kreeg ik een baan bij het Nationaal Luchtvaart-laboratorium aan de Sloterweg te Amsterdam. Ons land was bezet door de Duitsers en het werk was niet bijster interessant. Op zekere dag zag ik in het begin van 1943 tot mijn vreugde en verbazing mijn vroegere leraar Theo van Lammeren in de gang voorbij lopen. Ik vroeg hem verbaasd: "Wat komt U hier doen?" "Ja Farjon , antwoordde hij, "ik ben met een plannetje bezig waar ik nog niet veel over kan vertellen, maar kom zondag maar eens bij me langs, dan hoor je het wel".

Zo gezegd, zo gedaan.

Theo van Lammeren, getrouwd met een Tilburgse, was via haar familie in kontakt gekomen met Harry van Kuyk, oprichter, eigenaar en direkteur van zijn deurenfabriek in Tilburg. De heer van Kuyk had een plannetje bedacht om na de oorlog met iets geheel anders te beginnen, iets geheel nieuws, na al datgene wat hij al gedaan had of waarmee hij bezig was.

Luchtvaart is iets voor de toekomst; als een ander vliegtuigen kan bouwen (Fokker), waarom ik dan niet . . . was zijn redenering, en als het lukt, dan is het misschien mooi iets voor mijn zoon om er verder op door te bouwen!

Ingenieur Van Lammeren en Harry van Kuyk werden het eens dat eerst-genoemde technisch direkteur van de toekomstige vliegtuigfabriek zou worden en het ontwerp van het vliegtuig zou maken. Dat was dan ook de reden dat hij in voornoemd laboratorium liep. Mijn eerste vraag na zijn verhaal was natuurlijk:  "ls er voor mij geen baantje bij, want dat lijkt me veel interessanter dan het werk waarmee ik nu bezig ben". De vraag werd voorgelegd aan de grote baas in Tilburg en spoedig kreeg ik bericht dat ik kon komen. Hals over kop nam ik ontslag - wat toen zomaar kon-  verhuisde naar Tilburg en begon te werken voor de heer van Kuyk.

Ik kwam zogenaamd in dienst van zijn deurenfabriek die was in de Hoef-straat gevestigd; een onopvallend gebouw met wat woonhuizen ernaast.

Op zolder waren de tekenkamers ingericht en beneden in de fabriek was een gedeelte afgeschut waar niemand mocht komen die daar niets te maken had. Enkele werknemers van de fabriek, eersteklas meubelmakers, waren al bezig met het maken van de onderdelen van het vierpersoons reis- en zakentoestel type 10.000, want het vliegtuigje werd bijna geheel gemaakt van hout. In het afgeschutte gedeelte van de fabriek stond o.a. een lange tafel waarop het lijnenplan op ware grootte van het vliegtuig werd uitgezet; hier werden de vormen uitgestrookt, opdat alles mooi vloeiend zou worden. Daaraan werden weer gegevens ontleend om tekeningen te maken van spanten, ribben en wat alzo voor het vervaardigen van het vliegtuig nodig was. In de loop van het jaar kwamen er kollega's bij, o.a. Fred Sevarien (die later trouwde met Mia Vughts, dochter van de bovenmeester) en René Claringbould. Alle onderdelen die gereed waren, werden weggestopt tot na de bevrijding. In Tilburg werkte ik tot in het voorjaar van 1944; ik kreeg longontsteking en ging daarom terug naar mijn ouders in Zwanenburg om daar uit te zieken. Ik herinner me nog heel goed de landing van de geallieerden op 6 juni in Normandië. In die periode kwam er een inval van de Duitsers in de fabriek in Tilburg. Het was geen verraad, ze kwamen zoeken naar onderduikers, radio's en wat er nog meer te verstoppen viel. Vanzelf vonden ze datgene waarmee wij bezig waren, maar tot ieders verbazing schonken ze er nauwelijks aandacht aan; waarschijnlijk hadden ze niet in de gaten wat het allemaal was. Maar voor Harry van Kuyk was dit wel aanleiding de aktiviteiten in Tilburg te stoppen. In het begin van deze onderneming, dus al tijdens de bezetting, had hij een groot terrein gekocht gelegen te Oosten van de weg Leende-Maarheeze. Dat terrein, grotendeels heide had hij ook al laten egaliseren, hij had er een loods laten plaatsen, een woonhuis, kantoortje en dat allemaal onder het mom van ontginning. 

Maar voor Harry van Kuyk was dit wel aanleiding de aktiviteiten in Tilburg te stoppen. In het begin van deze onderneming, dus al tijdens de bezetting, had hij een groot terrein gekocht gelegen te Oosten van de weg Leende-Maarheeze. Dat terrein, grotendeels heide had hij ook al laten egaliseren, hij had er een loods laten plaatsen, een woonhuis, kantoortje en dat allemaal onder het mom van ontginning.  Zodoende kwamen wij niet meer in Tilburg (Van Lammeren, voornoemde kollega's en ik) en besloten in Haarlem een kantoor te huren om daar verder te werken aan onze tekeningen en tevens de bevrijding af te wachten, wat niet lang meer kon duren.

Het verhaal is bekend . . ..

Het Zuiden werd bevrijd, maar wij niet; wij hadden die vreselijke hongerwinter nog voor de boeg. Toch viel het werk in Haarlem niet helemaal voor ons stil, alleen ik werkte thuis in Zwanenburg, omdat er geen openbaar vervoer meer was en op de fiets was het te riskant . . . én voor mij én voor de fiets!

 

“HAVIKSOORD”

Eenmaal bevrijd in mei '45 moest ik bij mijn baas Theo van Lammeren komen die mij opgewekt meedeelde: “Farjon, nu gaan we er tegen aan, we gaan naar Leende". Van die plaats had ik wel eens gehoord.

Luttele weken na de bevrijding liet Van Kuyk ons met een auto (!) halen (vervoer per spoor was nog niet mogelijk); ook hij had haast om nu eindelijk echt met vliegtuigbouw te beginnen. In Leende aangekomen reden we direkt door naar het toekomstige vliegveld, dat door Harry al was omgedoopt in "Haviksoord". Zijn 'eersteling' zou "De Havik” genoemd worden, naar zijn eigen initialen H.v.K.

Verschillende mensen uit Tilburg waren er al, zoals de meubelmakers Lemmens en Lodder, ook Joseph van Kuyk, de zoon van de baas, die ondanks zijn jeugdige leeftijd van 23 jaar de direkteur van Haviksoord zou worden, want Harry bleef bij zijn deurenfabriek in Tilburg.

Als tijdelijk logeeradres vond ik "De Ster" aan het Marktpleintje, een gezellig hotelletje met een veranda ervoor, waar het erg goed toeven was; vooral het eten zal ik nooit vergeten . . . na die hongerwinter werd ik daar weer 'bijgespijkerd'! Het hotelletje is later uitgebrand en is verbouwd tot de winkel "Wilma".

Om mij te verplaatsen leende ik voor langere tijd een fiets van Piet van Asten, die ook werk had gekregen op "Haviksoord"; Piet had een heel aardig zusje, achttien lentes jong en tot mijn geluk kreeg ook zij daar een baantje op kantoor, waar ook boekhouder Bertens de cijfers kwam bijhouden. Verder herinner ik me nog de namen van Frans Penders, Jan Maas en Speerstra.

We zijn toen echt flink van start gegaan, eerst met dat vierpersoons zakenvliegtuigje.

Na de bevrijding was alles schaars en op de bon, dus ook vliegtuig-materiaal. Harry van Kuyk had tijdens de oorlog hier en daar voor veel geld restantjes materiaal op de kop kunnen tikken, maar dat was geen basis voor de start van produktiewerk. Hij was aangewezen op toewijzingen, maar de Nederlandse regering was van mening dat al die kleine vliegtuigindustrieën gecentraliseerd moesten worden in de vlieg- tuigindustrie Fokker. Van Kuyk wilde echter ook meedoen, hoewel niemand ooit van hem gehoord had. Hij mocht wel meedoen met die club, maar kreeg alleen materiaal toegewezen om zweeftoestellen te bouwen; zeker geen motorvliegtuigen, want dat waren te grote objekten. Hij werd dus al direkt tegengewerkt door de overheids-instanties. Bovendien was Leende en omgeving geen areaal waar je vakmensen kon vinden die verstand hadden van vliegtuigbouw. Die mensen moesten dus gecharterd worden; de meesten uit het Westen des lands. Al die 'import' moest een kosthuis zoeken, op z'n minst een fiets voor vervoer hebben (en waar vond je die?) en elk weekend op kosten van de baas naar huis kunnen gaan.

Al met al stapelden de moeilijkheden zich op. Een ervan was ook de bewijsvoering van luchtwaardigheid. De Rijksluchtvaart Dienst had nogal wat kritiek op het ontwerp en het kostte veel inspanning om aan alle bezwaren tegemoet te komen. Om zo'n onderneming te doen slagen had je meer dan wilskracht, geld, vakmensen en wat dies meer zij nodig.  

Relaties en 'kruiwagens' ontbraken in die wereld waar Harry van Kuyk een onbekende was. Heel eerlijk gezegd: het vliegveldje in Leende was eigenlijk te primitief voor vliegtuigindustrie. Zo moesten we nog de eigen elektriciteit opwekken, wat door middel van een dieselmotor gebeurde. Dat was o.a. de taak van Piet van Asten; was deze 's morgens wel eens aan de late kant, dan liep Joseph van Kuyk te mopperen . . . omdat hij zich niet kon scheren; hij was in het gelukkige(?) bezit van een elektrisch scheerapparaat!

 

DE  ZWEEFVLIEFCLUB

Wel hadden we het materiaal en de mogelijkheden om zweeftoestellen te bouwen en een zweefvliegclub op te richten. In totaal werden er drie lestoestellen van het type E.S.G. gebouwd, waarmee we met onze leden (de notabelen uit het dorp en omgeving) zo'n drie jaar een leuke vrije tijdsbesteding hadden. Natuurlijk hadden we een instrukteur en waren we lid van de K.N.V.v.L., de Koninklijke Nederlandse Vereniging voor Luchtvaart. In de herfst van ons eerste jaar in Leende vroeg deze vereniging aan ons of de mogelijkheid bestond het eerste Nationale Zweefkamp (na de oorlog) bij ons te organiseren, daar wij alle faciliteiten voor zo'n evenement hadden en de rest van Nederland nog maar pas bevrijd was. Harry van Kuyk vond dat prachtig, vooral voor de publiciteit. Alle zweefclubs van Nederland die maar even konden komen, waren aanwezig. Onze Leendse club deed niet mee met de zweefwedstrijden, want op dat moment hadden we pas een lesvliegtuigje en waren we de vliegkunst nog niet machtig. Reporters van "Vliegwereld en Avia" waren aanwezig, twee tijdschriften die snel na de bevrijding weer waren verschenen. Hieronder volgt een kort verslag van dat feestweekend uit "Vliegwereld" (1). 

BEGIN VAN HET EINDE

Allemaal heel leuk en aardig, die zweefvliegers, maar de bouw van echte vliegtuigen kwam niet goed op gang, door gebrek aan mensen en materiaal. In het voorjaar van 1946 nam Harry van Kuyk een aanbod aan van "Aviolande", een vliegtuigfabriek in Papendrecht bij Dordrecht die al heel lang bestaat.

Daar kon hij een grote hal huren en (dat was het grote voordeel) de beschikking krijgen over mensen die verstand hadden van vliegtuigbouw en de nodige ervaring hadden opgedaan. Daarmee was een groot probleem opgelost. Hoop gloorde aan de horizon!

Al onze bouwsels en tekeningen werden op een grote oplegger geladen met mij er tussenin en opgewekt togen we naar ons nieuwe werkterrein. Het optimisme was evenwel van korte duur. De overheid gaf geen medewerking; er kwamen geen toewijzingen voor materiaal.

Wachten en onze tijd in ledigheid doorbrengen, was niets voor de aktieve Van Kuyk. Na enkele maanden nam hij de beslissing: "We stoppen ermee! Ik schei ermee uit!"

Hij gaf opdracht alles weer op te laden en terug te brengen naar Leende. Het was een hele toestand! De dynamische, doch impulsieve Harry gooide alles op een grote hoop, gooide er een vat benzine over, stak het aan en in een mum van tijd verbrandde al datgene waarmee we zo'n drie jaar bezig waren geweest. Maar ook een toekomstdroom ging op in rook!

Harry van Kuyk trok een streep onder dit korte intermezzo in zijn leven, keerde terug naar Tilburg, naar zijn fabriek en zijn mensen.

De grote opbouw van Nederland moest nog beginnen. De komen jaren was er werk, heel veel werk voor de bouwer-aannemer die hij altijd was geweest. Sukses lag op zijn pad!

 

EEN NIEUW BEGIN

Nadat ons werk in de zomer van '46 zo dramatisch beëindigd was, vroeg Ir. van Lammeren aan mij: "Zo jongen, heb je al in je hoofd wat je wilt gaan doen? Ik ga naar de K.L.M,  heb je geen zin om mee te gaan?"

Daar had ik wel oren naar. Zo traden we in dienst van onze Nationale Luchtvaart Maatschappij. Maar Leende was ik niet vergeten; ik had daar een aardig jong meisje ontmoet en er was nog altijd een heel gezellige zweefclub. Tot dat meisje, Ria van Asten, met me in het huwelijksbootje stapte en meeging naar Amsterdam.

En "Haviksoord"?

Er zijn nog enkele industriële aktiviteiten geweest in de bouwloodsen, maar veel sukses is dat ook niet geworden. Uiteindelijk is de grond verkocht aan de Leendse golfclub en dient het huis van Joseph van Kuyk als kantine. Maar dat is weer een ander verhaal!

Na zevenendertig jaar, tot aan mijn pensioen bij de K.L.M. keerden mijn vrouw en ik weer naar Leende terug; het dorp waar ik wel eens van gehoord had, maar waar ik nu tot in lengte van jaren wil blijven wonen.

 

NOTEN

(1) Tijdschrift Vliegwereld. Jrg.11,  nr.5;  15  sept. '45,  p.55

Voor dit artikel hebben wij dankbaar gebruik gemaakt van enige gegevens die ons door het Nationaal Luchtvaart Museum "Aviodome" ter beschikking zijn gesteld.