Heemkronijk jaar:1983, jaargang:22, nummer:4, blz.141- 142

Heemkronyk,  jrg.22,  nr.4,  blz.141-142

CORRECTIE + AANVULLING

In het artikeltje "De Molen in Heeze" in de Heemkronijk van oktober j.l. noemt de heer van Asten Theodorus Verbeek als molenaar op de molen te Geldrop.

De naam van de moeder van Theodorus' echtgenote is evenwel niet goed overgekomen, zij heette Isabella PANS, niet PARIS.

Isabella Pans was geboortig van Houthem-St.Marguerithe bij Tienen in België.

Haar man, Theodore Dupuis was geboren te Antwerpen op 5 sept 1803. Als heel- en vroedmeester accordeerde hij in 1829 met het gemeentebestuur van Heeze om zich als zodanig aldaar te vestigen tegen een jaarsalaris van f. 200,--  (!)

Theodore Dupuis stierf te Heeze op 24 januari 1864; hij is dus 35 jaar de geneesheer van Heeze geweest.

                                                                M.L.W. van den Nieuwenhuysen   

 

Heemkronijk jaar:1983, jaargang:22, nummer:4, blz.142- 145

DE MOLEN IN HEEZE (vervolg)

door A.F.N. van Asten

Op 12 december 1905 had mijn grootvader, Antonius van Asten, de een jaar te voren afgebrande molen gekocht. Antonius, getrouwd met Johanna Deelen, overleed op 15 oktober 1908; een half jaar te voren hadden ze nog hun gouden bruiloft gevierd. Er weten nu nog Heezenaren te vertellen dat er toen een ereboog voor hun huis aan het begin van de Emmerikstraat had gestaan. Ondertussen was de molen weer opgebouwd en Jacob Theeuwis heeft vanaf 4 juli 1906 als knecht op de molen van grootvader gemalen. Nadien kwam m'n vader "Driekske de mulder" zoals iedereen hem in Heeze noemde, op de molen. Bij Ferdinand Branten in Mierlo had hij het molenaarsvak geleerd. Driek maakte mede doordat hij goed met zijn klanten kon omgaan, er een goed beklante molen van. In de oorlogsjaren, vooral in 1918, heeft hij er mede voor gezorgd dat de Heezenaren geen honger behoefden te lijden. Verlof of geen verlof, briefje of geen briefje, Driek maalde maar, al stonden soms de kommiezen  -die er voor moesten zorgen dat aan de voorschriften de hand werd gehouden-  op of rond de molen. Onverschrokken en soms met alles goed afgegrendeld werd er door Driek gemalen. Hij maalde toen in 1918 voor iedereen, voor boer, bakker of burger. Doordat Driek goed bevriend was met burgemeester Strijbosch kon hij dikwijls tegen de tijd dat de kommiezen verwacht werden, zijn maatregelen nemen.

Sjaak Verbeek, nu 78 jaar, kan er meer van vertellen. In zijn jonge jaren heeft hij tot 1920 bij mijn vader als vrijwillig knechtje op de molen geholpen. Hij heeft ooit de revolver en het geweer gezien die Driek op de molen had verstopt. Sjaak, een zoon van Jan Verbeek, stamt uit het bekende molenaarsgeslacht waarover we in het vorig artikel spraken. Vroeger in zijn jonge tijd woonde Sjaak op de Nieuwendijk tegenover de fabriek van Van Engelen-Evers en tussen Harrie Bos (Bosmans) en "Willeke den bron", een bijnaam voor W. van Gennip ook wel "den baron" genoemd.

Een maand geleden zijn we Sjaak wezen opzoeken in zijn bejaarden-woning aan Berkelmans pad. Bij binnenkomst trof ons direkt een schilderij van onze vroegere molen in vette en felle kleuren op het doek gezet. Het was werk van de bekende en te vroeg overleden Heezenaar Lowie van den Heuvel. Op het schilderij komt de zeer hoge berg van acht meter goed uit. Deze stenen belt- of bergmolen staat echter niet op een berg zoals men zou denken. Nee die berg zand is er slechts tegenaan geworpen, de molen staat op fundamenten in de grond!

Dit type molen wordt ook wel bovenkruier genoemd, omdat bij het naar de wind zetten van de wieken alleen de kap of het bovenstuk wordt gedraaid. Dit noemen we het kruien van de molen. Bij een standerd-molen is het anders, daar wordt steeds de gehele romp met de wieken naar de wind gedraaid.

Sjaak herinnert zich nog heel wat van deze molen die in zijn soort een der grootste is met zijn vijf zolders en wieken met een lengte van zes-en-twintig meter. in zijn

Als je door de grote inrijpoort onder in de molen komt, zie je links de trap naar de eerste verdieping of schorszolder, hierboven is de meelzolder, vervolgens de steenzolder dan de luizolder en helemaal boven de vijfde verdieping, de kapzolder. Vanaf de meelzolder die op berghoogte ligt, kan men naar buiten; op de steenzolder liggen koppels stenen en op de luizolder bevindt zich het luiwerk waarmee zakken vol allerlei granen opgetrokken kunnen worden: luien betekent hier ophijsen. Sjaak weet te vertellen dat Driek onder aan de wieken een stuk had laten bijmaken, zodoende kon Sjaak makkelijker aan de wieken als de zeilen erop of af moesten.

Vooral het malen van schors vond Sjaak erg stoffig en minder prettig. In grote zakken werd die schors aangevoerd vanuit Limburg en België. "Waar in het bronsgroen eikenhout" zal er wel niet bij gezongen zijn als Driek aan het schors malen was. Die schors werd tussen een koppel stenen tot een fijn bruin poeder vermalen. Dat poeder, run geheten, hadden de leerlooiers uit Heeze en Leende nodig bij het looien van huiden.

 

In Leende waren dat Pompen, Simkens en Van Engelen en in Heeze o.a. "Driek de looier", een neef van m'n vader. In grote kuipen, zo'n anderhalve tot twee meter diep in de grond, werden koeienhuiden gelegd en met run bestrooid. Na meer dan een jaar in de grond gezeten te hebben, waren die huiden door die run gelooid en konden verder als leder gebruikt worden. Die leerlooiers hadden letterlijk en figuurlijk hun kapitaal in de grond zitten! Driek heeft heel wat schors gemalen, dikwijls op zondag.

Bij windstil weer moest Sjaak helpen bij het scherpen van de door het vele malen bot geworden stenen. De bovenste steen werd gekeerd en met scherphamers of billen werden de groeven in de stenen zo bewerkt dat de kanten ervan weer scherp waren. Die hamers of billen werden o.a. door Broos Bakens in zijn smidse op de markt in Asten vervaardigd.

Een molenaar was gemakkelijk te herkennen aan zijn handen. Door het scherpen, het slaan op die blauwe oerharde natuurstenen, sprongen er zeer fijne deeltjes van de hamer waarbij een deel ervan onder de opperhuid van de handen kwam te zitten. Je zag bij mijn vader allemaal kleine tikkeltjes in de huid op de bovenkant van zijn handen. Was m'n vader bezig met scherpen, hij sloeg wel 15 hamers op zo'n steen bot, dan werd er natuurlijk niet gemalen.

Sjaak moest dan de wieken in een bepaalde stand zetten zodat de boeren meteen zagen wat er op de molen aan de hand was.

Tot zijn dood in 1922 heeft Driek van Asten gemalen. Besloten werd de molen te verkopen."

De molen werd door Peter Trouwen molenaar te Nederweert, ingezet op 11700 gld. Op 23 oktober 1922 n.m. 3 uur na telling van één tot tien werd alles voor 14150 gld. aan de inzetter P. Trouwen verkocht.

 

BRONVERMELDING:

Kadaster Eindhoven:   film 802/4    dagreg.  deel 98 nr.639 d.d. 28-09-1922

De molen heeft in 1983 als kadastraal nummer: Sectie C 3107 Heeze.

Voor technische gegevens over de molen verwijs ik naar het in formatie-bulletin 4, dat in 1981 werd uitgegeven door de Heezer Ver. Partij en waarin Jo Bosmans o.a. die gegevens vermeldde.

Zie verder ook "De Brabantse Molens" door S. Zoetmulder.

Voorzijde van een rekening die Driek van A t s en in 1916 uit schreef voor H. Vink, de vader van Vink die nu nog woont in de buurtschap, Oude Kerkhof. Op die rekening allerlei prijzen voor bakmeel tarwe, mais, haver en ook voor 100 kg. herpsel zaad die f 7,60 kosten.