De Groei van Strabergt tot Strabrechtplein

Heemkronijk jaar:2012, jaargang:51, nummer:1, pag:15 -19

DE GROEI VAN STRABREGT TOT STRABRECHTPLEIN

door: Henk van der Heijden

De titel van dit artikel suggereert een schrijfwijze van de naam van het plein van oudsher naar de huidige tijd toe. Dat klopt ook. In deze verhandeling wordt de historie van het huidige Strabrechtplein in twee perioden toegelicht, namelijk tot omstreeks 1830 en vanaf 1830 tot 1980.

Strabregt tot 1830

Van oudsher lagen in Brabantse dorpen pleinen, die omgeven waren door boerderijen met de akkers en beemden in de directe nabijheid. Zo’n plein werd dikwijls in middeleeuwse stukken al genoemd en was gemeenschappelijk bezit of in gemeenschappelijk gebruik gegeven (de gemeynt). Er lag dan een drenkkuil en er was een beplanting met eiken. Er bestaan opvattingen volgens welke een driehoekige vorm van een agrarisch plein wijst op de aanwezigheid van een belangrijke veestapel. Een dergelijk plein heet hier een plaatse en elders ook laar, biest, dries of heuvel. Een bekend voorbeeld van een plaatse-dorp is het gehucht Loon onder Waalre. In de literatuur worden ook Broek bij Mierlo, Zandoerle, Boomen bij Lierop, Zeelberg onder Valkenswaard en andere van oorsprong agrarische pleinen als voorbeelden van een plaatse genoemd.[1] Willem Iven bracht dit onderwerp in zijn bekende boek Lind dè is de sgonste plets (1974) ter sprake en schreef:

“Een plaatse is het centrum van een zandakkerdorp. Het is een driehoekig ‘plein’ dat inderdaad ook wel eens plein of pleintje heet, en dat ook wel heuvel wordt genoemd; vgl Strabrechts  Pleintje (Heeze), Broekerheuvel, de ruimte bij de kerk van Leende heet nu plein. De boerderijen en later ook de ambachtswoningen staan om de plaatse gegroepeerd. Het plein is eigenlijk niet meer dan een grasveld, dat meestal met eikebomen is beplant. De plaatse wordt begrensd door wegen. Ergens op de plaatse is steeds een drenk-, tevens bluskuil. Op de plaatse werd het vee verzameld, dat in verschillende kudden naar de weide- of grasgronden werd gedreven; de driekantige vorm was voor dit doel heel praktisch.”[2]

Regionaal historicus Jean Coenen noemt Strabrecht een van de zes gehuchten of hertgangen van Heeze. Hij was de naam in archiefstukken van 1428 voor het eerst tegengekomen. Hij wijst op de verschillende bestaande schrijfwijzen voor het gehucht en de verklaringen die eraan gegeven kunnen worden.[3] Eerder had J. Paans dat in 1963 al gedaan .[4] Zekerheid over een duidelijke verklaring van de naam van het huidige Strabrecht bestaat er tot dusver niet. Omstreeks 1832 was de gemeente Heeze ten behoeve van het kadaster opgemeten en in kaart gebracht. Op die kadastrale kaart valt bijvoorbeeld een driehoekig plein op rond het Vorsven (omsloten door de Noord- en Zuid-Eimerickstraat en door de Tooverneststraat), nabij de Oumolen, waar destijds zes wegen of karrensporen bij elkaar uitkwamen. Ten noorden van de Kapel (de kerk van de Protestantse Gemeente aan de Kapelstraat) is op de kadastrale kaart van Heeze uit 1832 ook het bekende Strabrechtplein te herkennen in het gebied Strabregt.

Afbeelding 1. Strabregt in 1832. 

Het Strabrechtplein

In het algemeen geldt dat het ontstaan van een plein afhankelijk is van: 1. de bestemming van de grond, waarop het ligt, en 2. de percelen, die het omgeven.

In het nu volgende wordt het ontstaan en de groei van het Strabrechtplein sinds de eerste helft van de 19e eeuw vanuit die twee gezichtspunten nader toegelicht. Hierbij wordt van een perceel steeds de eigenaar genoemd, omdat dit, vanuit het kadaster gezien, belangrijk was om te registreren. Aangezien men in de meeste gevallen maar over één huis beschikte, is de eigenaar (met eventueel gezin) dus meestal ook de bewoner(s) van het pand; in geval van een stamboom is dan de exacte locatie van de voorouder(s) gevonden!

In de eerste kadastrale vastlegging van het Strabregt in 1832 is nauwelijks sprake van een plein, zo blijkt uit de desbetreffende tekening (afbeelding 1). Zo te zien was er wel een meer dan normale brede weg. Als er al sprake was in het gebruik van die verbrede weg als plein, was dat minder dan  een derde van de huidige oppervlakte. 

In 1832 was het perceel F179a kadastraal opgemeten. Het was 39,50 are groot en in eigendom van de gemeente Heeze. De bestemming was: opgaand geboomte, categorie 2. Deze bestemming werd toen omschreven als volgt:

Opgaand geboomte

Hier en daar zijn eenige perceeltjes opgaand geboomte in de Gemeente, waar het grootste gedeelte van geringe hoedanigheid. Dezelve zijn uit hoofde van verscheidenheid van grondslag en daaruit voortvloeijende beteren of minderen groei der bomen in twee klassen moeten verdeeld worden.

Eerste klasse

Bestaat uit schoone welwassende en goed bezette eiken bomen, hebbende voornamelijk eenen ondergrond gelijk staande met die van weiland 1e en 2e klasse. Deze zijn geschat op eene jaarlijksche waarde van f. 11,00.

Tweede klasse

Het opgaande hout van deze klasse wordt gevonden op terrein gelijkstaande aan bouw en weiland van de 3e en 4e klasse, gelegen bij de publieke of buurtwegen en bestaande uit traag wassende eikenbomen. Men heeft deze geschat per bunder op f. 5,00.

Op basis van de tweede categorie was de jaarlijkse belasting ƒ1,98.

Omgeving

Op de eerste afbeelding is te zien dat de percelen F0173 en F0174 in het desbetreffende perceel lagen. F0173 was een schuur van 93 m2 van Hendrik Schavers en F0174 was een bakhuis van 33 m2 van dezelfde eigenaar.

Het perceel F0179a lag met de west- en zuidkant aan de openbare weg. De drie huizen aan de noordkant waren (van links naar rechts) van de weduwe Johannes Smulders, Cornelis Vosch en van Gerrit Schenkels. Aan de zuidkant stonden zes huizen, te weten (van links naar rechts) van Antonie Smits, Adriaan Schavers, de weduwe Abraham Jansen (= de weduwe Maria Snoex, twee huizen), Godefridus van Asten en de weduwe Adriaan Joosten. De smederij en de drie huizen aan de westkant waren (van onder naar boven) van Gerrit Liebregts, Theodorus van Grimbergen, Gerrit van Exel en Hendrik Schavers.

Opmerkelijk is dat de huizen aan de kant van de straat met de muren op de rooilijn stonden.

Vanuit de nummering gezien (F0179, met toevoeging a) zou geconcludeerd kunnen worden dat aanvankelijk het geheel als openbare ruimte (lees: weg of plein) was aangemerkt en om die reden geen kadastraal nummer gekregen zou hebben. Ongenummerde delen betekende openbare ruimte, veelal openbare weg. In dat geval zouden de schuur en het bakhuis als "eilandjes" in die openbare ruimte gelegen hebben. Een situatie, waarvoor blijkbaar voor de schuur, die bij perceel F0226 hoorde, uiteindelijk wèl gekozen is.

De duidelijk zichtbare potloodstreep onder de percelen F0181 t/m F0185 en verder, wekt de indruk dat op enig moment overwogen is om een (kaars)rechte rooilijn te realiseren, door de aangrenzende percelen uit te breiden met een stukje grond van de openbare weg.

Afbeelding 2. Strabrecht omstreeks 1880. 

 

Omstreeks 1880

Het volgende kaartje (afbeelding 2) is een fragment van de zogenaamde Schattingskaarten omstreeks 1880. Vergeleken met de afbeelding uit 1832 is duidelijk te zien, dat de situatie behoorlijk veranderd is. Het bakhuis is verdwenen en de schuur lijkt anders gesitueerd. Mogelijk is de bestemming van de schuur veranderd, of is deze anders herbouwd.

Het oorspronkelijke perceel F0179a is vóór 1866 in vier stukken gedeeld. Drie delen hebben een nieuw nummer gekregen (F1363, F1364 en F1365) en zijn dus belastingplichtig geworden (vanwege houtopbrengst?). De rest van het perceel (aan de noordkant) lijkt een openbare bestemming te hebben gekregen, vanwege het ontbreken van een nieuw perceelsnummer. Ook is te zien dat de schuur in de openbare weg aan de zuidkant van het plein is verdwenen.

Omgeving

Aan de noordkant van het plein is op het rechter deel van perceel F0179 een woning gebouwd. Daarnaast is vanuit de ligging van gebouwen op te maken dat alle huizen etc. aan het plein nog steeds op de rooilijn staan. Geen voortuintjes of iets dergelijks, maar vanuit de (voor)deur direct op straat! In de afbeelding is ook de nieuwe situatie te zien, in verband met de aanleg van een nieuwe weg naar Geldrop (vanaf de linkerbovenhoek van het pleintje, recht naar boven). Inmiddels zijn al huizen gebouwd op percelen liggend tussen de oude en de nieuwe weg; de iets naar rechts afbuigende oude weg is echter nog intact.

De vier huizen aan de noordkant waren (van links naar rechts) van Maria Smulders (vrouw van Antonie Manders), Hendrikus Antonyzoon Deelen, Francis Becks, Adriaan Mathijszoon Scheepers.

Aan de westzijde is de smederij verdwenen. De drie overige huizen waren (van beneden naar boven) respectievelijk van Johannes van Otterdijk, Hendrik Petruszoon van Asten en Johannes van Mierlo.

De zes huizen aan de zuidkant waren (van links naar rechts) van Johannes Smits, Adriaan Mathijszoon Scheepers, Hendrikus A-zoon Langendonk, Andries Theodoruszoon van Grimbergen, Johanna Jansen en Goverdina Smulders (vrouw van A. Bakermans).

Afbeelding 3. Strabrecht omstreeks 1980.

De 20e eeuw in

Het laatste kaartje geeft de situatie van omstreeks 1980 weer.

Op deze derde afbeelding is te zien dat de percelen op het plein weer verdwenen zijn, inclusief de schuur. Het gehele plein, inclusief de bestaande wegen rechts van de nieuwe doorgaande weg naar Geldrop, is geregistreerd onder een nieuw perceelsnummer: F3963. Dit nummer is uitgegeven in 1981. De kaart suggereert een vergroting van het plein naar rechts toe.

Omgeving

Zo te zien, is inmiddels de bebouwing aan de noordkant aaneengesloten. De rooilijnen rondom het plein zijn meer in elkaar overlopend en nagenoeg kaarsrecht geworden; geen zaagtand-effecten meer. Aangrenzende woningen hebben een voortuintje; dit geldt zowel voor de huizen aan de noord- als zuidkant van het plein.

De ligging van de (nieuwe) weg naar Geldrop is een feit en de omliggende rest-percelen zijn wegverkaveld. Percelen, die lagen ingeklemd tussen de oude en de nieuwe weg, zijn groter geworden doordat de aangrenzende oppervlakte van de oude weg naar Geldrop aan de percelen is toegevoegd.

Omstreeks 1965 was de situatie rondom het plein als volgt:

(NB. Vermelde jaartallen zijn indicatief, te lezen als omstreeks. Dit omdat de jaartallen afgeleid zijn van het vermelde dienstjaar, waarin de melding in het kadaster werd vastgelegd.)

Aan de noordkant lagen vier percelen, waarop een of meer gebouwen stonden. Het eerste perceel F3601 (met twee gebouwen) was in 1962 van Hendrik Nicasius Johannes van Werde. Het perceel daarnaast (F2105) was in 1918 van Gerardus Deelen, daarna van Paulus van Oers; vanaf 1948 in eigendom van Joannes van Oers. Laatstgenoemde verkoopt het huis met perceel in 1975. F2104 was in 1917 van Andreas van Oers, daarna in 1950 van Cornelis Petrus Maria Michiels, vanaf 1952 van Marinus Maria van de Ven en vanaf 1958 van Johannes Hubertus van de Ven. In 1982 gaat het perceel over naar sectie G, perceel 557. Het meest rechts gelegen perceel F3717 met huis was in 1952 van Paulus Ferdinandus Weemering. In 1974 komt er een stukje gemeentegrond bij. In 1982 gaat het perceel over naar sectie G, perceel nummer 558.

Aan de westkant lagen vijf gebouwde percelen. F3643 was in 1956 van de gemeente van Heeze, evenals F3536 vanaf 1952. F2421 was in 1932 in eigendom van Theodorus Henricus Smits, die het in 1971 verkoopt. F2420 was in 1928 van Martinus van Stiphout, in 1964 van Wilhelmus Edmundus Henrikus Maria Gijsbers, terwijl F2419 in 1960 van Hendrikus Cornelis  Maria Kuijten was; deze laat  het in 1962 slopen.

Aan de zuidkant is de bebouwing flink toegenomen. Vanaf uiterst links lagen daar allereerst twee percelen, die in zes delen werden opgesplitst. Tot en met de "knik" naar rechts lagen daar de volgende percelen: F3332, in 1963 van Godefridus Nicolaas Verbeek; F3333, in 1966 van Gerardus Matheus Maas, die het in 1967 weer verkoopt;

F3334, in 1963 van Gerardus Antonius Lingers, die het in 1967 verkoopt;

F3335, in 1965 van Adrianus Matheus Knapen/cafetaria, die het in 1971 verkoopt;

F4283, in 1965 van Hendrikus van Gennip;

F4282, in 1963 van Jan Venekamp;

F3455, in 1956 van Johannes Josephus Maas, verkoop in 1967 aan de gemeente;

F1517, vanaf 1923 in eigendom van Franciscus Schenkels;

F3660 + F3661, in 1965 van Harm Geert Leupen;

F4169+F4168+F4167, in 1964 als één perceel (F2077) van Florinus Mijnlief de Koning;

F3736, vanaf 1934 (via oud perceel F3437) in bezit van Josephus van den Hurk;

F3512, omstreeks 1965 van Max Gerhard Marie Louis van Oirschot.

Samenvatting

Het huidige Strabrechtplein is volgens opvatting van verschillende personen ontstaan uit een middeleeuwse plaatse. Uit de eerste kadastrale vastlegging van dit gebied, die plaatsvond in 1832 (Heeze, sectie F, kaart 1, Strabregt), blijkt dat de openbare weg aanvankelijk alleen aan de zuidkant van genoemd plein was gedacht. De aangrenzende huizenpercelen zijn voorzien van voortuinen, dit ten koste van de aanvankelijke oppervlakte. Ook is perceel F3337 ten koste van de openbare ruimte gegaan (linksonder in het plein). Aan de noordkant is de rooilijn uitgelijnd via het oorspronkelijke perceel F0175, zijnde de tuin van de familie Smulders destijds. Het plein herbergt nog altijd de locatie van een bakhuis van weleer.

 

 

[1] A.W.A.Th. Steegh, ‘Dorpen in Brabant’ in J. van Laarhoven (red.) en anderen, Dorpen in Brabant (publicatie n.a.v. de expositie ‘Dorpen in Brabant’ (12 mei-9 juli 1978) in het Noordbrabants Museum), ’s-Hertogenbosch 1978, blz. 4.
[2]W. Iven en T. van Gerwen, Lind dè is de sgonste plats. Natuur en landschap van Leende, een Oost-Brabants dorp, Leende 1974, blz. 33.
[3]J. Coenen, Heeze. Geschiedenis van een schilderachtig dorp, Heeze 1998, blz. 33.
[4]J. Paans, ‘Oude wijk- en veldnamen in Heeze’ in A. van Oirschot (red.) en anderen, Heeze. Een heerlijkheid in Brabant, Heeze 1963, blz. 108.

Ga terug