De grens tussen Sterksel en Someren betwist (1246-1718)

Heemkronijk jaar:1996, jaargang:35, nummer:1, pag:11 -27

DE GRENS TUSSEN STERKSEL EN SOMEREN BETWIST (1246-1718)

door: Peter Dekkers

 

Toen in  1197 Herbert van Hese Sterksel verkocht, leken de grenzen van Sterksel zo mooi vast te staan: van het punt genaamd ‘Scureke’ over de heide naar het punt genaamd ‘Hoenderboom’. Vandaar naar het punt ‘Hugten ten rade’ en dan langs de rivier weer naar 'Scureke’.(1)  Het gebied binnen deze driehoek vormt Sterksel. Twee rechte lijnen en een rivier, kon dáár nog onduidelijkheid over ontstaan? Toch wel, want al vanaf 1246 stond de rechtheid van deze lijnen ter discussie. De exacte ligging van sommige grenzen is echter pas na veel gebakkelei tot stand gekomen.

 

Het grenspunt, Scorken of Scureke

Het eerste grenspunt, Scorken of Scureke, ligt aan de grens met Heeze, aan de rivier de Aa. Aan de overkant van de Aa ligt het Heezer gehucht Euvelwegen.

De naamsverklaring ‘schuurtje’ lijkt mij niet waarschijnlijk, omdat op een plaats zo dicht aan de beek wel in de laatste plaats een schuur gebouwd zou worden. Waarschijnlijk is de naam een afleiding van ‘schoorke’, wat bruggetje betekent.(2)  Langs dit grenspunt liep de weg van Sterksel naar Heeze. In 1517 lag hier daarom een bruggetje over de Aa; dit blijkt uit een oorkonde uit dat jaar.(3)  Er ligt nabij dit punt nog steeds een brug over de Aa, voor de weg van Sterksel naar Heeze (‘Schillemansbrug’).

 

Het grenspunt Hoenderboom

Honreboom, of Hoenderboom is het volgende grenspunt van Sterksel. Vanaf Scureke zou de grens lijnrecht op Hoenderboom gaan lopen. Deze lijn is echter pas in 1618 vastgesteld; tot dat moment was er nogal wat onduidelijkheid over deze grens tussen Sterksel en Heeze. Het grenspunt Hoenderboom is zonder meer een merkwaardig punt. Het betreft hier een punt midden op de heide, waar de heerlijkheden Heeze, Mierlo, Lierop, Someren en Sterksel aan elkaar grensden. Dit punt moet al heel vroeg een bijzondere betekenis hebben gehad, want ds. A.J .C. Kremer vond in 1861 bij de Hoenderboom een oud urnengraf: "eenige potscherven en een stuk van een marmeren strijdbijl".(4)  Iets ten zuiden van deze plaats werden in 1939 urnen en een Hallstattzwaard gevonden uit de late Bronstijd of de IJzertijd.(5)

Dit grenspunt kreeg een extra dimensie toen in 1365 Wenceslaus en Johanna van Brabant besloten dat hier getuigenverklaringen afgenomen moesten worden in geval van doodslag of geweld, over welke vergrijpen zij als voogden van Sterksel zeggenschap hadden.(6) Dit grenspunt is nooit betwist.

Wat betekent deze naam ‘Hoenderboom’ eigenlijk? Het meest voor de hand liggende lijkt ook hier het meest waarschijnlijk: hoender- wijst op hoenders, wat voor gevogelte hier ook mee bedoeld moge zijn. Bij grenspunten die vanwege hun geringe hoogte in het landschap moeilijk te herkennen waren, zoals putten, werden bomen geplant en dan meestal eiken. Het planten van een nieuwe boom droeg immers altijd het risico van grensverwarring in zich en een eik was sterk en kon zeer oud worden, waardoor herplanting tot een minimum beperkt kon worden. De boom werd later vervangen door een houten paal. In 1328 is voor de eerste maal sprake van hoenderboomspale.(7) In 1410 werd de Hoenderboompaal op verzoek van de abt van Averbode vernieuwd in het bijzijn van afgevaardigden uit Sterksel, Lierop, Someren en Mierlo.(8) In 1550 werd de houten paal vervangen door een blauwstenen paal.(9) 

 

Het grenspunt Hugten ten rade

Van Hoenderboom liep de grens zuidelijk naar Hogeten ad Rotam of Hugene ten Rade, waar op Hugten tot circa 1500 een watermolen in de Aa stond, een banmolen van de heer van Cranendonk. Op dit punt grensden Sterksel, Someren, Hugten, Cranendonk en Budel aan elkaar.(10)  Ook deze grens was verre van duidelijk. Het kleine Hugten kreeg ruzie met al zijn buren over aantasting van zijn grondgebied: met Leende (1262),(11) met Maarheeze (1289-1305)(12) en ook tussen Hugten en Someren liepen de twisten hoog op (1358-1386).(13) Vanaf Hugten vormde de Sterkselse Aa langs Leende de grens tot aan het grenspunt Scureke, waarmee de driehoek voltooid is.

 

Twisten tussen Sterksel en Someren

Vanaf Hugten ten rade tot aan Hoenderboom grensde Sterksel aan Someren. Aan deze grens lag een ontginning: het Latbroek. Over dit Latbroek(14) ontstond al in 1246 stennis met Someren.(15)

Er was namelijk een geschil ontstaan tussen de abdij van Averbode en ‘onze mannen in het district van Helmond’ over het moeras van het Latbroek en over het bos en de weiden die bij dit Latbroek hoorden en over nog meer goederen van Sterksel.(16)  Al een aanzienlijk deel van dit broek was ontgonnen tot bos en weide. Maria, gewezen keizerin en dochter van de hertog van Brabant, deed uitspraak na gedegen onderzoek op grond van de oorkonden die de abdij kon tonen(17) en op grond van het getuigenis van de ouden uit het district en van andere betrouwbare getuigen. Maria wees het Latbroek als deel van Sterksel aan Averbode toe. Daarmee leek de kous af.

Maar in 1265 bleek wederom tussen Someren en Sterksel twist gerezen te zijn over het gewilde Latbroek.(18)  Hertogin Aleid stelde toen Johannes, commandeur van het Duitse Huis te Gemert, Arnold de Campo en Gozewijn van Mierlo aan om de zaak te onderzoeken. Omdat zij de abdij van Averbode geholpen wenste te zien, beval zij ook de assistentie van de schout van Den Bosch ter plaatse. Het driemanschap hoorde ongeveer twaalf oude mannen uit de buurt, die in deze zaak niets te winnen of te verliezen hadden. Beide partijen konden zich met deze getuigen verenigen. De getuigen werden gehoord onder ede. Belangrijk is bovendien dat beide partijen - zowel Someren als Averbode - instemden met het onderzoek van het driemanschap.

De drie onderzoekers verklaarden na ampel onderzoek dat het Latbroek bij Sterksel hoorde. Toen vervolgens de Somerenaars herhaalde malen werden opgeroepen om hun aanspraken op het Latbroek te laten horen, lieten zij zich niet zien. Daarom verklaarde hertogin Aleid de abdij in het bezit van de betwiste goederen "totdat wanneer de voornoemde mannen van Someren redelijke en doeltreffende argumenten kunnen geven, waarom genoemde abt en convent van voornoemde goederen geworpen moeten worden".(19)  

De schout van Den Bosch stelde vervolgens middels een oorkonde de abdij formeel in het bezit van "zijn goederen van Sterksel, volgens de inhoud van zijn privileges en volgens het onderzoek, gedaan over die goederen, daarom verbiedende aan eenieder, op straffe [van verbeurdverklaring] van hun goederen, dat voor de rest niemand zich voorneemt voornoemde religieuzen in voornoemde goederen ergens lastig te vallen".(20) In 1291 moest hertog Jan I zijn schout nogmaals aansporen om tegen de aanranders van Sterksel op te treden.(21) Hoewel het nergens vermeld staat, moet het hier wel om Somerenaars gaan. Aan het beschadigde zegel te zien is deze oorkonde vaak gebruikt. En dat was ook nodig, want het conflict met Someren heeft zich eeuwenlang voortgesleept.

 

Nieuwe aanspraken op het Latbroek

Zo’n driekwart eeuw later maakten particuliere Somerenaars aanspraak op het Latbroek. Hadden hun voorouders dit goed misschien ontgonnen? Het waren echter niet alleen de oorkonden die Averbode in het gelijk stelden, maar ook betrouwbare getuigen uit de buurt stelden destijds de abdij in het gelijk. De abdij moet dus zeker in haar recht hebben gestaan, al brengt de hardnekkigheid van het Somerense verzet ons aan het twijfelen. De twisten gingen niet alleen om het Latbroek met toebehoren, maar ook om "andere goederen binnen voornoemde grenzen".(22)  Helaas is dit niet nader gespecificeerd, maar het zou kunnen betekenen dat Someren heel Sterksel voor zich opeiste.

In 1326 deed Arnoldus Vrint afstand van zijn aanspraken op goederen onder Sterksel. Arnold bezat de heide, die gelegen was tussen Sterksel en Hugten. Hij was proost van het kapittel van Wassenberg en hield de Somerense heide in leen van de custos van het kapittel van Sint-Lambertus in Luik.(23)  Vermoedelijk had Arnold deze heide verhuurd aan de Somerenaars en was er weer mot met Averbode gekomen "over enige goederen, die grenzen aan het allodium van Sterksel". Daarom stelden Averbode en Arnold arbiters aan: Rogier van Leefdael, heer van Oirschot en Park (waar een zusterabdij van Averbode stond), en Rudolf Pypenpoy, seneschalk van Brabant.

De uitkomst van deze bemiddeling was dat Averbode aan Arnold Vrint 100 Tournooise ponden betaalde, in ruil waarvoor Arnold afzag van iedere aanspraak, die hij "zou kunnen hebben" op de goederen in kwestie.

Hertog Jan stelde zich borg voor deze overeenkomst. Dit gebeurde nadat men de rechtstitels van Averbode uitvoerig had bekeken. Zo stevig stond de abdij van Averbode hier dus niet in haar recht, dat zij haar recht na zoveel eerdere uitspraken in haar voordeel alsnog moest kopen. Althans zo lijkt het. Vijf dagen later werd echter een nieuwe oorkonde geschreven met vrijwel identieke tekst, waaruit het bedrag van 100 ponden was verdwenen.(24) Achter deze twee versies schuilen allicht dagen van zware onderhandelingen: Arnold wilde een slaatje slaan uit dit geschil, maar daarmee zou Averbode erkennen dat de Somerense aanspraken een zeker recht bezaten, wat echter niet zo was. Uiteindelijk werd de laatste oorkonde nog eens bevestigd door een oorkonde van dezelfde datum van hertog Jan, die Sterksel nogmaals onder zijn bescherming nam en een eeuwig mandaat verstrekte aan zijn dienaars om Averbode in het bezit van Sterksel te verzekeren. Daarbij stelde de hertog nog eens - tegen de Somerense aanspraken - "dat niemand enig gemeenschappelijk recht of vruchtgebruik heeft in genoemde goederen behalve genoemde abdij van Averbode, ons slechts onze voogdij in hun goederen voorbehoudend".(15) Precies dertien maanden later deed Arnold de gehele Somerense heide, die hij hield van het kapittel van Sint-Lambertus, van de hand. Tegen een jaarlijkse erfcijns verkocht hij ze aan de inwoners van Someren, met medegebruik van de omliggende bewoners uit Lierop, Mierlo en Asten.(26) Vermoedelijk heeft hij dit gedaan onder hertogelijke druk. Op dezelfde dag verschafte hertog Jan - op Arnoldus’ verzoek - aan de Somerenaars het schutrecht in de zojuist verkregen heide.(27) Someren was immers een hertogelijk dorp, dat van hem nog in 1301 een vrijheidsprivilege had verkregen en waar de hertog schout en schepenen aanstelde.(28)  

Daarmee was de twist echter geenszins opgelost. Integendeel, nu hadden ook de Somerenaars oorkonden om hun eigendomsrechten te bewijzen; de grens in het land was nog steeds niet vastgesteld. Al in 1349 moest de hertog weer arbiters aanstellen in deze twist "over de gemeente bij Someren, waarvan beide partijen oorkonden hebben". De hertog stelde zijn familielid Jan van den Plasche, abt van Tongerlo, en zijn kamerling Wouwe van der Brugghen aan om de twist te beslechten.(29)  Maar ook deze vrede zou slechts van korte duur zijn. In 1363 was het weer raak en moest de hertog zijn schouten van Den Bosch en Peelland op de Somerenaars afsturen, "dagelix torf stekende, heyde mayende ende ander onseden doende opten hoven aldaer ende opten toebehoirten van Stercsele". De schouten moesten het de daders zonder pardon betaald zetten, zodat zij zich voor een tweede maal wel zouden hoeden.(30)

Maar nóg was Sterksel niet van Someren af. Twee jaar later probeerde de Somerense schepenbank, daarin gesteund door de schout van Den Bosch, Sterksel in haar jurisdictie te trekken. Sterksel had immers geen schepenbank, maar viel wel onder de hertogelijke voogdij, d.w.z. voor de hoge jurisdictie (doodstraf en lijfstraffen), waar een gewone schepenbank niet competent voor was. Voor de gewone rechtspraak in Sterksel was echter de abt van Averbode bevoegd. Averbode was een Luikse abdij en als allodium van Averbode viel ook Sterksel onder Luik, behalve voor de hoge heerlijkheid, die dus in handen was van de voogd, de hertog van Brabant. Daarom schreef de officiaal van Luik op 28 september 1365 aan de pastoor van Someren dat hij deze schending van de Averbodense rechten niet tolereerde op straffe van excommunicatie en 50 gulden boete.(31)  Want wat was er aan de hand? Verschillende Somerenaars hadden geklaagd over de bewoners van Sterksel, die zich hadden verzet tegen de aantasting van hun goederen door de Somerenaars. Deze Somerenaars probeerden de Sterkselnaars toen voor de Somerense schepenbank te dagen om daar hun gelijk te halen. De schout van Den Bosch steunde hen daarin!

De officiaal stak hier echter een stokje voor en beval de Somerenaars Sterksel niet meer lastig te vallen. Drie maanden later gaven ook hertog Wenceslaus en hertogin Johanna een oorkonde af, waarin zij bevestigden dat Sterksel niet onder de Somerense schepenbank, noch onder een andere viel. Zij corrigeerden hun schout en behielden zich alleen de rechtspraak inzake doodslag of geweld voor.(32) Overigens was het belang van de schout van Den Bosch hierin gelegen, dat Sterksel geen schepenbank had en dus buiten elke rechterlijke organisatie viel. De schout kon maar moeilijk verkroppen dat Sterksel niet in een hokje viel. Om dezelfde reden probeerde ook de schout van Peelland in 1412 de Sterkselnaren schepenen te laten kiezen, waarna hij door de hertog werd teruggefloten.(33)

In 1373 was het weer mis: op grond van hun schutrecht van 1327 schutten Somerenaars beesten op de heide van Sterksel, waar zij toch niets te zoeken hadden. Voor het eerst ontmoeten we Somerenaars bij name, die aanspraak maakten op de Sterkselse heide: Johannes Marienzoen, H[enricus] Lob en zijn broer, Drpken Nepper en Jan van Rode.(34) De Somerenaars werden weer veroordeeld, omdat eventuele aanspraken op het Sterksels deel van de heide destijds door Arnold Vrint waren verkocht. De Somerenaars moesten de Sterkselse beesten dus teruggeven, maar zij weigerden dat. Daarom stuurde de hertogin haar schouten van Den Bosch en Peelland "en hen gebiet op hun lijf en bezit dat zij de beesten van de abt op Sterksel niet meer schutten, zolang zij ons niet betere papieren hebben laten zien, waarmee zij dat kunnen rechtvaardigen. Let daarop als je je baan wilt behouden!”(35)   

Uiteindelijk werd pas in 1467 een bevredigende regeling getroffen.(36) Daarbij moet echter worden aangetekend dat de twist toen inmiddels van aard veranderd was. Ging het aanvankelijk om het Latbroek, dat tussen Someren en Sterksel werd betwist, naderhand verschoof de twist naar het gebruik van de heide, waarin de grens tussen het Somerense en het Sterkselse deel niet duidelijk was. In 1467 was de onenigheid versmald tot een strook heide, waarover sinds enige tijd onduidelijkheid was ontstaan. Sinds ca. 1375 bestond de Hugtense watermolen niet meer, waardoor het grenspunt ‘Hugten ten rade’ was verdwenen. De plaats heette ‘oude Molenstat’, maar een paal stond er niet. Na verloop van tijd werd deze paal verward met de paal van het grenspunt Kruiseik en sindsdien was er sprake van de ‘nieuwe Molenstat’ (= Kruiseik) en de ‘oude Molenstat’ (= Hugten ten rade). Beide punten lagen tientallen kilometers uit elkaar. Vanuit Hoenderboom liep de grens door de heide recht op Molenstat en dus ontstond er onduidelijkheid over de strook heide, liggende tussen de lijnen van oude en van nieuwe Molenstat naar Hoenderboom (zie afbeelding hierna).

 

 

Einde aan het conflict?

Over deze heide werd in 1467 een schikking getroffen: de strook heide zou opgemeten worden onder toeziend oog van beide partijen en dan zou ieder de helft in gebruik nemen, zonder beslissing over de eigendom. Dit akkoord werd vervolgens voor 25 jaar verlengd. Daarom ontstonden er in 1519 wederom problemen omdat de Somerenaars zich gerechtigd achtten om nu ook het Sterkselse deel weer - met geweld! - in gebruik te nemen. Daarom werd de regeling in 1519 nog eens voor 30 jaar verlengd.(37)

Niettemin was het in mei 1520 alweer raak. Peter Goykens, Henrick Luten, Willem Cortsmets de jonge (op aansporing van Willem Cortsmets zijn vader) en anderen, allen uit Someren, trokken toen naar het Sterksels broek om daar de greppels die de grens tussen Someren en Sterksel aangaven, dicht te gooien. Voorts hebben zij toen hun vee daarin gejaagd om er te weiden. Op een avond daarna, tussen en en 12 uur ‘s nachts, hebben zij - vermoedelijk dezelfde lieden - alle afrasteringen op een hoop gegooid en die in brand gestoken “dat andere gebueren meynden datter een wynhof geberndt hadde”. Toen de meier van Sterksel op dit kabaal afkwam heeft Peter Goykens hem afgetuigd door wel 30 of 40 keer op hem in te slaan. Willem Cortsmets senior zei toen tegen de meier: “Eest dat U abdt mijnen soene bescryft [= voor de rechter daagt], soe sal icken uuyt mynen broode doen ende also mocht hy wel maeken dat de winhoven van Stercksel verbrendt souden worden."

Waarop de meier antwoordde: "De abdt heeft noch hout [om] wederom te tymmeren." Toen zei Willem: "D’abt heeft noch meer hoeven dan Stercsele." Dit was een overduidelijk dreigement aan het adres van Averbode dat deze Somerenaars van de Varenbergse hoeve zijn andere hoeven in de buurt (Lommel, Eersel) wel eens in brand konden steken. De abt liet het er niet bij zitten, daagde deze Somerenaars inderdaad voor de rechter en kreeg van de Raad van Brabant gedaan dat ze werden veroordeeld.(38)

In 1533 vond een herhaling van deze gebeurtenissen plaats. Het ging toen om een hele grote groep Somerenaars, die - zoals zij bekenden - heide hadden gemaaid onder Sterksel tegen de afspraken van 1467 en 1519 in. (39)

Bovendien hadden zij ook de erfafscheiding van een broekland van Jan Horckmans van de Sterkselse hoeve Ten Poel vernield. De meier van Sterksel, Hendrik van Werdingen, lag op dat moment ziek te bed in zijn hoeve Ter Braken. Daarom stuurde hij zijn zwager Joos van der Braken, die kapelaan in Heeze was. Toen Joos aan de geweldplegers vroeg waarom zij dit deden, haalde een van de Somerenaars uit naar Joos en sloeg op hem in, zodat Joos zich verdedigen moest. Met dergelijk geweld dachten de Somerenaars dit stuk Sterkselse heide weer in te kunnen pikken. De abt van Averbode klaagde de Somerenaars aan voor de Raad van Brabant, maar daar verschenen ze niet. Bij verstek werden zij toen veroordeeld en moesten alsnog verschijnen. De oproep daartoe werd na de hoogmis in de kerk van Someren voorgelezen. Alleen Jan Mertens van Roedesoen reageerde direct. Vermoedelijk onder sociale druk verklaarden de daders zich later bereid de schade te vergoeden en te herstellen.

 

De grens tussen Someren en Sterksel definitief vastgelegd

In 1549 werden nieuwe palen gesteld tussen Someren en Weert in verband met het afpalen van de grens tussen Brabant en het land van Horne. Daarbij werd eindelijk de grens tussen Someren en Sterksel definitief, namelijk vanuit het midden tussen oude en nieuwe Molenstat, zoals dat in 1467 was bepaald.(40) De zaak was daarmee dan eindelijk geregeld, maar dit betekende niet dat niet af en toe individuen zich aan Sterksel vergrepen. Zo werd in 1516 Merten Willems alias der Kinderen uit Someren gepakt voor het stropen van konijnen op Sterksel.(41)  En in 1610 waagden lieden van Heeze, Leende en Someren het om illegaal hout te kappen op Sterksel.

Een goede eeuw later, in 1713, begaven de Somerenaars zich wederom op de Sterkselse heide, zodat de abt van Averbode hun verbaasd vroeg "of zij andere acten gevonden hebben. Dat zij anders verboden worden eenig gebruijk of bedrijf te doen in de gemeynte van Stercksel op grond van de acten van 1326 en 1373.(42) Daarop bleef het stil, maar de Somerenaars bleven desondanks gebruik van de Sterkselse heide maken. Totdat de abt van Averbode het zat was: "Soo is desen tot gheen ander eijnde als om UEdele voor het leste in der minnen ende uijt liefde van goeder naerbuurschap te warschouwen. " Deze waarschuwing hielp evenmin: de Somerenaars bleven misbruik van de Sterkselse heide maken. De rentmeester van de abdij op Sterksel, Petrus Guns uit Maarheeze, ging keer op keer naar Someren om te klagen. Hij verzocht de abt om bemiddeling, haalde advocaat J. de Let uit Budel erbij en stapte ten slotte naar D. Suyskens, griffier in Den Bosch. Dat was in september 1717 en in het voorjaar van 1718, wist Suyskens een akkoord tussen Someren en Sterksel te sluiten. Er werd toen een contract voor 30 jaar gesloten op basis van de contracten van 1467 en 1519. Het weiden van vee op Sterkselse heide werd daarmee aan de Somerenaars verboden. Dat was afdoende; de Somerenaars waagden zich niet langer op Sterkselse grond.   

 

Besluit

In 1197 stond van Sterksel alleen de grens vast die gevormd werd door de rivier de Aa en het grenspunt Hoenderboom. De andere grenzen, die genoemd werden als “grenzen van het allodium Sterksel” moesten in de eeuwen daarna nog bevochten worden. Deze grenzen waren in 1197 vrij willekeurig getrokken in de woestenij tussen drie vaste punten. Toen die woestenij in de eeuwen daarop werd ontgonnen of omgezet in heide, ontstonden er geschillen. De grenzen waren pas in 1618 vastgesteld en kort daarna tekende Cornelis Lowis een kaart van Sterksel (1653). Sinds die tijd zijn de grenzen van Sterksel onveranderd gebleven.

 

NOTEN

Gebruikte afkortingen:

AAA         Archief van de Abdij van Averbode, Averbode (B).

Camps     H.P.H. Camps (bewerker), Oorkondenboek van Noord-Brabant tot 1312. I. De Meierij van 's-Hertogenbosch (met de heerlijkheid Gemert), ‘s-Gravenhage, 1979.

RANB      Rijksarchief in Noord-Brabant, 's-Hertogenbosch.

AGN        Algemene Geschiedenis der Nederlanden (15 dln.), Bussum, 1979- 1983.

 

1           Camps, nrs. 68 (1172) en 87 (1186-1198). De oorkonde uit 1172 is vermoedelijk een vervalsing uit 1220.

2           ln Scureken (Camps, nr. 68 d.d. ca. 1220) moet de u als onze huidige oe-klank uitgesproken worden, wat de afstand tot Scorken (Camps, nr. 87 d.d. ca. 1197) aanzienlijk verkleint; in het Middelnederlands (cm. 1250-ca. 1550) wordt de lange klinker aangeduid door het korte-klinkerleken te verdubbelen (o wordt oo) of door er e of i aan toe te voegen (o wordt oe (zoals in: Schoerke, te lezen als: Schoorke) en o wordt oi (zoals in: Oirschot, Oisterwijk, te lezen als: Oorschot, Oosterwijk)).

3           AAA, I, charter 3021 (1517 februari 23): a rota aquimole de Hoechten usque locum dictum onderken seu Scoerken et ulterius usque Hoenderboem.

4           De Navorscher 35 (1885) 29; C.R. Hermans, Noordbrabantsche Oudheden, ‘s-Hertogenbosch, 1865, 89. Noordbrabants Museum, nr. 76.

5           G. Beex, ”Archeologisch overzicht, in Heemkronyk, jrg. 19 (1980), blz. 94-98.

6           AAA, I, charter 940 (1365 december 24): Ende behoefden wi daertoe ghetuughs of waerheit, daer sal ons die meester des hoifs van Stercsel toe moeten leenen, tot versuec ons schoutheiten ende richters aldaer, sijn voirs. late, lude ende wynnen, die comen selen opten pael, geheiten Hoenreboem ende haer bunde daer af seggen ende niet vorder.

7           Genoemd bij de uitgifte van gemene gronden aan de inwoners van Lierop; Tijdschrift voor Noordbrabantsche Geschiedenis (1883/84) 71.

8           AAA, I, reg. 2, f. 203v (1410 mei 9).

9           AAA, I, reg. 47, f. 71r (1550 mei 29).

10        Camps, nr. 104.

11        Camps, nr. 283.

12        Camps, nrs. 437, 695.

13        J. Cunen, ’Geschiedenis van Heugten`, in Taxandria 1938-1939.

14        = het broek dat (ter ontginning) is toegewezen aan de laten. Laten waren ontginningsboeren; zie AGN 1982, 118.

15        Camps, nr. 224.

16        Camps. nr. 224 (1246). De ”mannen” hier zijn geen Helmonders maar Somerenaars; zie Camps, nr. 299.

17        Camps. nrs. 68, 88 en 117.

18        Camps, nrs. 298 en 299.

19        Camps. nr. 301.

20        Camps, nr. 303.

21        Camps, nr. 468.

22        Camps, nrs. 224, 299, 301.

23        AAA, I, charter 784: 1326 november 18. Arnold was vermoedelijk een kleinzoon van Arnold Vrint, schepen van Helmond, hetgeen verklaart, waarom hij in deze buurt actief was. Zie Camps, 1979, nrs. 330 en 353 (1271, 1276).

24        AAA. I, charter 786: 1326 november 23.

25        AAA. I, charter 787: 1326 november 23.

26        D.T. Enklaar, Gemeene gronden in de middeleeuwen, Utrecht, 1941, blz. 222: 1327 december 21.

27        Enklaar, a.w.. blz. 224: 1327 december 21.

28        Camps, nr. 617.

29        AAA, I, charter 879: 1349 juni 20.

30        AAA, I. charter 935: 1363 juni 16.

31        AAA, I, charter 939: 1365 september 28.

32        AAA, I, charter 940: 1365 december 24.

33        AAA, I, charter 2047: 1412 november 27.

34        AAA, I, charter 963: 1373 november 14; charter 964: 1373 november 23.

35        AAA, I, charter 964: 1373 november 23.

36        AAA, I, charter 2468: 1467 juni 20.

37        AAA, I, charter 2469: 1519 december 13. Nog in 1513 was Willem van Kessel Janssoen van de hoeve Vleeracker te Someren gepakt omdat hij drie jaar lang illegaal heide gemaaid had op               Sterksel. AAA, I, reg. 12, f. 33r.

38        AAA, I, reg. 622.

39        AAA, I. charter 3321: 1534 januari 7. De Somerenaars waren Michiel Shasen, Jan Willem, Anthonis Sanders, Jan van Eynthout. Jan Mertens van Rnedesoen,  Henrick Sbruynen, Jan Jan Reynen, Dierick Symon Lemmenss., Lenaert Goessen Lenaertss., Joosken Teelkens, Jan Coppens, Nelis Heylen, Jan Thielenss. van der Waterlaet, Dierick Willem Cortsmess, Fenaerd Goossen Lenaertss.

40        AAA, I, lias 89: 1549 augustus 16.

41        AAA, I, charters 3022 en 3023: 1516 maart 2 en mei 15.

42        AAA, I, lias 90: 1713 april 6.4

 

Ga terug