zesgehuchten en waar het om gaat

Heemkronijk jaar:1963, jaargang:2, nummer:2,  blz.26 -28

ZES GEHUCHTEN en WAAR HET OM GAAT

door: Jan Aerts
 .
Sinds de heer van Helvoort in het eerste nummer van de Heemkronyk het vraagstuk Zesgehuchten aansneed, is daarop in bijna alle nadien verschenen‘ afleveringen teruggekomen. Het komt ons voor dat de hoofdzaak uit het oog is verloren. De heer Smulders schijnt te veronderstellen, dat de vraag werd gesteld: behoorde Zesgehuchten vóór 1440 tot de heerlijkheid Heeze-Leende? (Hnkr.,II-4). Maar waar het om gaat, is de vraag: maakte Zesgehuchten veer 1334 deel uit van de heerlijkheid? En dan nog moet aangetoond worden, dat het dezelfde rechten had als de rest van de allodiale bezitting.
In 1334 droeg Willem van Horn "sine dorpe van Heze ende Leende, met allen dien, dat dairtoe behoirt“ op aan Hertog Jan III van Brabant. "Ende doen dit gedaen was", zo staat in de oorkonde van 1334 "gaven wi den verseiden here van Horne ende van Altea, deze vernoemde twee dorpen, met allen dien dairtoe behoort, heme, sine oire ende nacomelingen, te behoudene ende te besittene emmermer eerf-leene ten Brabantschen rechte, ende bekinnen ende beleijen dat wi in den vorseiden dorpe, ende dair toe behoirt, engheen behouden en hebben, anders dan de manschap".
Voortaan waren de heren van Heeze-Leende leenplichtig, maar behielden alle rechten.
Zoals bekend, was het groot-privilege om overal te mogen jagen "hayr met hayr, pluym met pluym", door de hertogen Johanna, en Wenceslaus op 3 jan. 1355 aan alle Brabanders verleend, niet van toepassing op een allodium. De heren bezaten daar het recht van vrije waranda. Als Zesgehuchten voor 1334 een integraal deel van de heerlijkheid was, dan gold ook daar het recht van vrije waranda. Tot nu toe is dat niet aangetoond. De heren hechtten veel waarde aan dat recht. Zo vroeg Jan Maximiliaan van Tuijll van Serooskerken op 24 ja. 1760 aan de Raad en Leenhof van Brabant, om erkenning van Het recht van vrije warande voor de "Vrije Heerlijkheid van Heeze en Leende met den toebehoren van dien”.
Op 17 juni 1760 kreeg hij antwoord waarbij dat recht werd erkend. (Tax.jrg.1907; blz. 3-126-162).
Uit Het vonnis van de Arrondissements-Rechtbank te ‘s-Hertogenbosch, van 23 mrt 1904 )Tax.jrg. 1904; blz.273-279-297-308) blijkt dat het heerlijk jachtrecht over Zesgehuchten aan de heren van Heeze wordt toegekend, maar niet dat van vrije warande.
De rechtbank voert hiervoor aan, dat al zou in het “toebehoren” van 1334 Zesgehuchten begrepen zijn, daarop toch niet heet recht van vrije warande rustte. Dit omdat bij de vrije verkoop van de heerlijkheid in 1659, Zesgehuchten werd verkocht met beduidend minder rechte – o.m. geen vrije warande - dan Heeze en Leende. Werd dat recht niet verkocht, dan kon het ook niet in handen komen van de koper en zijn opvolgers. Dit leem mij een aanvechtbare redenering. Immers het bedoelde recht was zo vast en onvervreembaar verbonden met de grond, waartoe het behoorde, dat al werd het niet uitdrukkelijk verkocht, het toch zou kunnen overgaan aan de koper van het grondgebied. Zoveel temeer nog omdat er geen sprake van is, dat het aan anderen zou zijn verkocht.

Sterker staat echter het volgende argument van de Rechtbank. In 1285 schonk "Wilhelmus dominicus de Horne et Altona" het "jus patronatus ecclesiarum de Leende et Heeze cum suis pertinentiis" (het recht tot benoemen of voordragen der geestelijken) aan de priorin van het klooster Keizersbosch. Ook nog verwijzend naar de verhefbrief van 1334, zegt de rechtbank het volgende: “dat eveneens, in dat geval de Zes-Gehuchten wel niet kerkelijk onder Geldrop zouden hebben gestaan, hetgeen toen, zoals historisch vaststaat, reeds lang vóór het jaar 1462 het geval was. (J. van Oudenhoven, beschrijving der Meierij van 's-Hertogenbosch 167O, pag.37 en v.v. alwaar deze zelfs vermeldt, dat Riel, een der Zes Gehuchten, eene capel had, ressorterende onder de kerk van Geldrop); dat dit laatste te minder het geval zou zijn geweest omdat reeds in 1285 . . . .” (hier volgt het relaas van bovengenoemde schenking), en verder" wat wel schijnt aan te tonen, dat de Zes—Gehuchten niet, althans in die akte niet tot die pertinentia gerekend werden, dot dit alles de veronderstelling van oude geschiedschrijvers bevestigd, dat da Zes- gehuchten aanvankelijk onder Geldrop hebben behoord en later, op een onbekend tijdstip, wellicht vóór 1440, daarvan zijn afgescheiden en gevoegd bij Heeze-Leende, evenwel onder een heel ander feudaal regimen“.
Wij kunnen nu, door de bijdrage van de heer Smulders (H.kr. I, 6—2), het "wellicht vóór 1440" vervangen door 13.
Opmerkelijk blijft, dat de verkoop bij "onwillig decreet" in 1659 wel het recht van vrije warande voor Heeze en Leende noemt, maar niet voor Zesgehuchten.

Wij wezen a1 op de belangrijke rechten die de heer van Geldrop in Genoenhuis had (H.kr. I-2-15). De opmerkingen dat Zesgehuchten van weinig betekenis was, en daarom zelden met name, en voor zover nu bekend, niet voor 1381 wordt vermeld , zijn mogelijk te staven met het volgende. Bij de telling van huizen en haardsteden in de Meierij van 1526, wordt Zesgehuchten samen met Heeze geteld; terwijl Leende apart wordt genoemd. "Heze mitte zesse gehuchten aldair bevonden zijn bewoende huysen IIIICXXV. Ende daarenboven nog onbewoende huysen V; Leende, aldair zijn bewoende huysen IIIxXXII onbewoende huysen V" (Dr. Meindersma, De Heerlijkheid Heeze enz. blz. 51). Terecht werd het recht van vrije warande niet aan de heren van Heeze toegekend. Het was, en is niet bewezen dat zij dit recht bezaten of hadden verkregen.
De alles beheersende vraag is nu: heeft de heer van Geldrop de belangrijke rechten in Genoenhuis verkregen, of, heeft hij ze voor zich behouden bij een mogelijke afscheiding van Zesgehuchten van Geldrop? Hetzelfde geldt voor het kerkelijk onder Geldrop behoren van het omstreden heerlijkheidsdorp.
Een betere kennis der geschiedenis van de heerlijkheid Geldrop, zou hier misschien meer licht kunnen brengen.
Alle mogelijkheden, zo schijnt ons, blijven open.

Ga terug