Kunstvoorwerpen in de kerk van St.Petrus banden te Leende

Heemkronijk jaar:1985, jaargang:24, nummer: 3 en 4, blz.83- 97

KUNSTVOORWERPEN IN DE KERK VAN ST.PETRUS BANDEN TE LEENDE

door: G.Vr. 

Het beschrijven van alle kunstvoorwerpen van een kerk is meestal een hachelijke zaak; droge opsomming dreigt. Daarom lichten we er enkele onderwerpen uit. Daartoe geeft het historisch kunstbezit van Leende ook de gelegenheid.

We beginnen met enkele beelden, waaraan we niet mogen voorbijgaan, al is er reeds meer over geschreven.

Drie beelden in de kerk voorstellende de H.Elisabeth van Thuringen met een korfje rozen, de H.Catharina van Alexandrië met een zwaard en met de Romeinse keizer Maxentius aan haar voeten, en de H.Barbara (vermoedelijk, want haar attribuut ontbreekt) zijn zeer aan elkaar verwante skulpturen. Drs.Cuido de Werd, die met Drs. G. Lemmens de tentoonstelling "Beelden uit Brabant" in 1971 in Den Bosch voorbe- reidde, groepeerde verscheidene beelden rond de drie in Leende en schreef ze toe aan een beeldhouwer van het einde der 15de eeuw, die hij de noodnaam gaf: de meester van de heiligenbeelden uit Leende  (1). Hij bracht elf beelden bijeen, die aan deze anonieme beeldhouwer kunnen worden toegeschreven. ledere geïnteresseerde Leendenaar bezit, denk ik de katalogus van 1974 waarin al deze beelden beschreven en afgebeeld zijn  (2).In Leende zijn ze in dat jaar geëxposeerd en korte tijd later in Uden in het Museum voor Religieuze Kunst, waar een aantal permanent te zien is.

Natuurlijk zijn pogingen gewaagd de identiteit van de meester te achterhalen. Pater Drs. Gerlach o.f.m.cap. deed de suggestie, dat het mogelijk de in het Bossche Gemeentearchief genoemde Michael Roelofsen van Leende zou zijn  (3). Een suggestie die Arnoud Jansen in de Heemkronijk overnam  (4).  G.de Werd vindt de identifikatie op grond van de plaatsnaam te weinig gefundeerd. Wel oppert hij de veron- derstelling, dat de beeldhouwer in Eindhoven gewoond en gewerkt heeft.

De beelden in Leende missen helaas hun oorspronkelijke polychromie. Die moet juist bij deze enigszins stijve stijl van het allergrootste belang zijn geweest.

De drie beelden zijn voor de kunsthistorie van bijzonder belang, omdat er zo weinig middeleeuwse skulptuur uit onze streken bewaard is gebleven. De Generaliteitsperiode (bij onze broeders en zusters uit de Reformatie zo weinig bekend) heeft ons gewest arm gemaakt.

De genoemde tentoonstelling "Beelden uit Brabant" liet zien hoe weinig middeleeuwse beelden tot ons gekomen zijn, waarvan we kunnen zeggen, dat ze in onze omgeving gesneden zijn. Onder de bewaard gebleven beelden heeft men na grondige studie drie groepen kunnen samenstellen, van drie meesters, die we alle met een noodnaam moeten benoemen:

a. De groep rond een reeks beelden uit het voormalige Birgittijnse klooster Mariënwater te Koudewater bij Den Bosch. Deze zijn vooral te zien in het Rijksmuseum te Amsterdam en in het Museum voor Religieuze Kunst, dat is ondergebracht in het klooster Maria Refugie te Uden, waar de Birgittinessen sinds de  18de eeuw verblijven. De noodnaam van de beeldhouwer is: de meester van Koudewater. Vermoedelijk heeft hij in Den Bosch gewerkt. Op het moment is drs. F.J. v.d. Vaart bezig met een onderzoek waarin hij deze beelden met de oudste skulptuur aan de St.Janskathedraal vergelijkt.

b. De boven besproken groep beelden rondom de drie van Leende.

c. De groep gevormd rond twee beelden uit het Augustinessen- klooster Soeterbeeck bij Nuenen. Deze beelden stammen dus evenals die van Leende uit de omgeving van Eindhoven. De zusters van dit klooster Soeterbeeck werden in 1732 verdreven. Zij vestigden zich in het vrije Deursen, waar de beelden nu staan. De beeldhouwer wordt genoemd: de meester van Soeterbeeck.

U ziet welk een belangrijke rol de beelden van Leende spelen in de studie van de laat-middeleeuwse skulptuur in Brabant  (5).

ALTAARSTUKKEN:  WAT  ERVAN  REST

In onze schuurkerken en in de circa 1800 terugverworven parochie-kerken stonden barokaltaren. Ook de Waterstaatskerken van de vorige eeuw werden verfraaid met barokaltaren, maar die duiden we gewoonlijk aan met de term "neobarok". Ze zijn alle geïnspireerd door de Vlaamse en met name de Antwerpse barokaltaren.

Hoe zag zo'n altaar eruit? Boven de tombe en het tabernakel zag men een groot schilderij, "altaarstuk" genaamd dat geflankeerd werd door hoge zuilengroepen, waarop de grote bekroning van het gehele altaar rustte, het zgn. "coronement". Dit coronement bestond vaak uit een beeld van God de Vader met de Geestesduif omgeven door wolken; soms was het simpelweg een grote kroon.

Bij de zuilen links en rechts stonden vaak beelden van de H.Petrus en de H.Paulus of van andere heiligen  (6). Soms werd het altaarstuk vervangen door een beeldengroep. Zo heeft het grote ruiterbeeld van St.Martinus met de bedelaar in Luyksgestel in het altaar gestaan onder het coronement.

Een uitstekend voorbeeld van zo'n neobarok altaar, met een gebeeld-houwde Verrijzenisgroep, kunt u zien te Nederweert. Uiterst illustratief voor wat hier volgt is de ontwerptekening door Walter Pompe van een altaar met een gebeeldhouwd tafereel van Petrus' bevrijding uit de kerker (7). Want ik veronderstel, dat aldus de beeldengroep van Petrus’ bevrijding uit de gevangenis, die Leende nog bezit, in het neobarokke altaar heeft gestaan.

De gebeeldhouwde of geschilderde achtergrond ervan is met het altaar verdwenen. De parochie bewaart nog wel de skulp-turen van Petrus weggeleid door de Engel en van drie slapende soldaten.

De beelden illustreren bijzonder aardig het magnifieke verhaal uit de Handelingen der Apostelen, hoofdstuk 12: Petrus is nog slaapdronken wanneer de Engel hem komt bevrijden en hem aanspoort zijn sandalen aan te doen, zijn mantel om te slaan . . . en met hem mee te gaan.

Het is aan het Petrusbeeld te zien, dat hij nog niet goed weet wat er te doen is, wanneer de Engel hem langs de slapende bewakers wegleidt.

Daar de groep het patronaat  van de kerk verbeeldt, behoeven we niet verbaasd te zijn, dat zij op zo'n centrale plaats, in het hoogaltaar, stond.

Ook zonder de achtergrond van deze groep te kennen kunnen we uit de bescheiden afmetingen van de beelden opmaken, dat het altaar niet groot zal zijn geweest. Dat is begrijpelijk, daar het koor toen lager was dan nu. Verder veronderstel ik, dat de twee eveneens nog aanwezig beelden van de H.Willibrordus en de H.Bonifatius links en rechts van het hoogaltaar stonden, bij de zuilen.

Dit neobarokke altaar is in 1854 geplaatst, het jaar na het herstel van de Bisschoppelijke Hierarchie in Nederland. Juist in die tijd herleefde de belangstelling voor de grote vaderlandse geloofsverkondigers. De veronderstelling dat deze twee beelden aldus deel uitmaakten van het hoogaltaar wordt nog versterkt door het volgende. 

Wanneer overal de "gothieke stijl" geweldig in trek komt, wordt ook in Leende het neobarokke altaar vervangen door een neogotisoh. Stijleenheid was mode. Het is voor de hand liggend, dat Leende in haar gotische kerk een neogotisch hoogaltaar verlangde  (8). Dit is vermoe-delijk geplaatst bij een restauratie onder Dr.Cuypers rond 1878.

Van een oude foto op een ansichtkaart is af te lezen, dat de midden-toren boven het tabernakel geflankeerd werd door twee zijtorens. Daarin stonden de beelden van Willibrord en Bonifatius, afkomstig van het vorige, neobarokke altaar. Hun plaats was in de totaalaanblik dus amper gewijzigd. Bij de overplaatsing naar het neogotische altaar zullen ze de neogotische polychromie gekregen hebben, die zij nog dragen. De beeldengroep van Petrus' bevrijding paste niet in de neogotische opbouw van het altaar en werd overgebracht naar de pastorie. In 1940, bij de plaatsing van het hoogaltaar van Jo Uiterwaal, moest het neogotische op zijn beurt wijken. De twee beelden zijn gespaard en elders in de kerk geplaatst.

Rest nog de vraag welke beeldhouwer de bevrijdingsgroep vervaardigde of uit welk atelier zij stamt.

We komen hier later nog op terug.

EINDHOVENS  ZILVER

De volledige inventarisatie van de parochies in ons Bisdom was bijna gereed en reeds waren tientallen stukken van Eindhovense zilversmeden gevonden en beschreven, toen een grote liefhebber en kenner van zilver me bekende nooit gehoord te hebben van "Eindhovens zilver", afgezien van eenvoudig tafelgerei.

Kerkzilver was veelal niet onderzocht en dus onbekend. Gebleken is echter, dat vanaf het einde van de achttiende en gedurende geheel de negentiende eeuw Eindhovense zilversmeden zeer goede en fraaie werken hebben vervaardigd. Vooral als de opdrachten niet beperkt werden door gebrek aan geldmiddelen bij de besteller, ontstonden uitstekende resultaten van dit edel ambacht. De onbekendheid ervan is begrijpelijk. Voordat in de laatste twintig jaar het kerkelijk kunstbezit geïnventariseerd werd, was kerkzilver amper onderzocht. Daarbij komt, dat de negentiende eeuw weinig belangstelling trok.

Vele steden hebben eigen zilversmeden bestudeerd en hun werken geëxposeerd, doch meestal met uitzondering van die uit de vorige eeuw. Toch zou een goede expositie van het beste Eindhovens zilver ieder verbaasd doen staan. De parochie Leende heeft van bijna alle Eindhovense meesters een werk; ook van de laat-achttiende-eeuwse Balthasar Le Heu (een ciborie) en van Keyzers (een kelk).

W.F.Hermans (1835-1867), die vanuit Oss naar Eindhoven verhuisde en in zijn meesterteken nog een ossekop heeft staan, vervaardigde fraaie zilveren kandelaars ter aanvulling van enkele reeds aanwezige kandelaars uit 1721 en daarvan nauwelijks te onderscheiden; voorts twee wandarmen, die vermoedelijk aan het neobarokke altaar bevestigd waren.

Van A.P.Hermans (1860-1879) heeft de parochie een neobarokke kelk. Dit type komt veelvuldig voor en stamt uit Duitsland. Ik vermoed dan ook, dat Hermans de delen ervan importeerde en hier ineenzette. Van W.W.Manders (1878-1905) vinden we twee ampullen met schenkblad.

Van Hendrik van Gardinge (1883-1919) een expositieciborie   (9).

LOS VAN ANTWERPEN

Tot slot nog iets naar aanleiding van de preekstoel, die ongeveer vijftien jaar geleden zozeer vervallen was, dat afbraak nodig leek  (10). De belangrijkste onderdelen zijn gespaard.

Aan de sessio in de kerk ziet u een reliëfband met de datum 1690. Elders wordt de Geestesduif van het klankbord bewaard, een kleine skulptuur van de grote beeldhouwer Walter Pompe die in Antwerpen werkzaam was. Het is een bescheiden herinnering aan de beroemde man, die hoewel in Lith geboren, stamde uit een bekende familie te Leende.

A.F.N.van Asten heeft voortreffelijke publikaties over het geslacht Bull-Pompe verzorgd in de jaren 1974 tot 1977 in de Heemkronyk en in de boeiende katalogus (met oeuvre-katalogus) ”Walter Pompe beeldhouwer" bij de gelijknamige tentoonstelling te Uden in 1979. Verder zijn nog gespaard de reliëfs die de kuip van de preekstoel sierden met voorstellingen van de Salvator (Heiland) en de vier Evangelisten.

Met deze povere reliëfs werd de preekstoel in 1849 "verrijkt". Niettemin is het goed, dat ze bewaard gebleven zijn. Een zekere Th.J. Pels uit Eindhoven heeft ze gesneden. Bijna dezelfde heeft hij aangebracht aan preekstoelen te Best en te Moergestel. Ook daar zijn de preekstoelen verdwenen en worden de panelen bewaard  (11).

De mogelijkheden van deze "beeldhouwer" blijken beperkt te zijn geweest. Doch zijn werk laat ons wel iets zien van de aktiviteit van plaatselijke schrijnwerkers die tegen het midden van de vorige eeuw een poging waagden om kerkmeubilair te maken, zodat niet alle van de vele bestellingen naar Antwerpen behoefden te gaan. Want dat was lange tijd het geval geweest.

Om dat te illustreren volgt hier een globale beschrijving van de gang van zaken in Oost-Brabant gedurende de periode van ongeveer 1800, toen de oude kerken weer aan de katholieken kwamen, tot aan het herstel van de Bisschoppelijke Hierarchie in Nederland.

Gewoonlijk werd de inventaris van de schuurkerk overgebracht naar de herkregen kerk, doch meestal voldeed zij niet lang. Stadskerken kochten soms meubilair in België. In arme parochiekerken liet men de plaatselijke timmerman altaartombe, communiebank, biechtstoel, enz. vervaardigen en deze door Bayens uit Eindhoven ”marberiseren”, vergulden en fornissen”. Was er een beetje geld, dan zocht men een bekwame gespecialiseerde schrijnwerker.

Dat is, van 1814 tot 1837, zeer dikwijls Peter Dieltjes uit Grobbendonk bij Antwerpen, waar J.Westhof uit Geldrop lange tijd knecht is geweest. Dieltjes betrekt de skulptuur voor zijn meubels van de beeldhouwer J.B. van Hool, professor aan de Antwerpse Academie. Naast Van Hool zijn het, wat later, J.B. Peeters en de Gebr. De Cuyper, beiden uit Antwerpen, die onze kerken voorzien van neobarokke beelden en andere skulpturen. 

In onze direkte omgeving komt sedert 1820 Hendrik Koenen, schrijnwerker te Eindhoven, naar voren. Ook hij blijft bij zijn vak en importeert de skulptuur. Meestal bestelt hij die bij de Gebr. De Cuyper.

De eerste beeldhouwer van eigen grond is de jong gestorven P.L. Coenen. Deze Lambertus Coenen was afkomstig van Maarheeze; in 1841 verhuist hij naar Lieshout. Van zijn werk is veel verloren gegaan, b.v. de door hem vervaardigde meubels in de voormalige Waterstaatskerk te Beek (en Donk).

Aan de preekstoelen te Someren en Vlierden (en eenzelfde stond eertijds in Lieshout) is te zien, dat hij minstens een goede ornament-snijder was; de biechtstoel te Someren toont, dat hij moeite had met menselijke gestalten.

De Schrijnwerker met de grootste produktie was Jac. Beuijssen (Geldrop 1809 - Boxmeer 1885). Hij schijnt al vroeg naar Boxmeer te zijn verhuisd en bouwde daar een zeer bloeiende werkplaats op. Zelf noemt hij zich schrijnwerker, doch soms ook beeldhouwer. Uit de periode 1833 tot het jaar van zijn dood 1885 zijn tientallen werken van hem bekend. Aanvankelijk is er nauwe samenwerking met de beeldhouwer J.B.Peeters, totdat hij zich losmaakt van Antwerpen en eigen beeldhouwers aantrekt voor zijn atelier. Zo is vanaf 1848 b.v. zijn zwager de beeldhouwer Cornelis Pinsard uit Bergen op Zoom bij hem werkzaam. Precieze toeschrijving van beelden uit zijn atelier is daarom nog niet gemakkelijk.In de jaren '40 van de vorige eeuw, het decennium voor het herstel van de Hiërarchie, is er in ons gebied een soort explosie van ateliers.

Naast de drukbezette Beuijssen zien we dan het atelier van de Gebr. Smits te Cuyk ontstaan(met een vertegenwoordiger in Amsterdam), evenals het nog grotere atelier van de Gebr. Goossens in Den Bosch.

In dezelfde  jaren begint Hendrik van der Mark te Oirschot en zijn te Eindhoven werkzaam J.J. Kluytmans en zijn broer Johan Mathijs.

Hiermee hebben we het milieu geschetst waarin Pels zijn niet zo geslaagde pogingen deed. Maar tegelijk kennen we nu het milieu waarin de beeldengroep van Petrus' bevrijding is ontstaan. We stelden boven de vraag: welke beeldhouwer heeft die groep vervaardigd of uit welk atelier stamt zij?

Ons inziens komen in aanmerking: Peeters, Beuijssen en Goossens met een voorkeur voor de laatste. Voor veilige toeschrijving is nauwkeuriger studie van het werk van Beuijssen, Smits, Goossens en Van der Mark nodig; en sedert de recente inventarisatie in het Bisdom is dat ook mogelijk  (12).

SLOT

Niet alle objekten van kunst of kunst-ambacht brachten we ter sprake  (13). Hopelijk geeft het bovenstaande de lezer reeds de overtuiging dat het bezit van de parochie van meer dan gewoon belang is. Zonder het kunstbezit van de kerk zou de gemeenschap van Leende arm zijn aan kultureel-historische werken. Niet alleen de musea moeten voor ons de kultuur bewaren. Het is goed dat het "kleine milieu" (de uitdrukking komt van Mgr. W. van Haaren, oud-deken van Heeze) onze gewone direkte omgeving beschermd wordt. In het "kleine milieu", zo dicht bij het dagelijks leven, komt de jeugd ongedwongen in aanraking met kunst, historie en iconografie en kan zij de weg vinden naar de geestelij- ke rijkdom, die daar opgeslagen ligt.

                                                                                                               NOTEN

 (1)      Katalogus Beelden uit Brabant. 's-Hertogenbosch, Noordbrabants Museum, 1971,  p.22-24.

(2)       Katalogus De meesters van de heiligenbeelden uit Leende.               Tentoonstelling ingericht door de Werkgroep Historie van de Stichting Torenfeesten Leende 1974.

(3)       P. Gerlach  O.F.M.Cap.  Bosche Beeldhouwers ten tijde van Jeroen Bosch, Pater Gerlachus Septuagenarius (1901-1971), 's- Hertogenbosch 1971, p.15.

(4)       A.Jansen:  "ls Michael Roelofsen de "Meester van de heiligenbeelden uit Leende?"  ln: Heemkronijk  X  (1971),  p.47-48.

(5)       Naast deze drie beelden bezit de parochie nog een Mariabeeld uit het einde van de vijftiende eeuw; en uit de zestiende eeuw een treurende Maria van een kruisgroep en twee kruisbeelden: een groot kruisbeeld in 1908 door Cuypers' atelier in Roermond gerestaureerd en een kruisbeeld op een Calvariebergje met het gebeente van de eerste Adam.

Uit het begin van deze eeuw stamt ook het paneel, waarop de Broodvermenigvuldiging staat afgebeeld met de notities waar bij de Evangelisten dit verhaal te vinden is.

(6)       In de Antwerpse kerken van St.Paulus en St.Jacob ziet u de beste barokaltaren. Goede neobarokke altaren vindt u o.a. in Ravenstein, Alphen aan de Maas (uit het atelier Goossens, Den Bosch), Udenhout, Waspik, Wychen en Nederweert. 

In arme parochiekerken zijn vele neobarokke altaren geplaatst, vervaardigd door lokale timmerlieden. Deze altaren werden dan "gemarberiseerd", zodat ze er feestelijk uitzagen. Bayens uit Eindhoven heeft in de eerste helft van de vorige eeuw in heel onze omgeving de altaren en ander houten meubilair tot "marmer" omgetoverd. Menig altaarstuk werd geschilderd door Nic. Wintelroy uit Gemert (Soerendonk b.v.), tenzij men reeds een ouder  -soms erg goed-  schilderstuk bezat of cadeau kreeg.

(7)       Katalogus: Walter Pompen beeldhouwer. Museum voor Religieuze Kunst;  Uden,  1979,  p.87.  Zie ook: afb.23, p.48.

(8)       Vgl.: Geschiedenis van Leende, 1974, p.89: 1855, twee nieuwe zijaltaren in gotische stijl.

(9)       Balthasar Le Heu;

Ciborie, hoog 41,5 cm,  ca.1770, versierd met waaiervormig golfslagornament, schelp- en bladmotieven en cartouches. Op het deksel een grote beugelkroon.

             Keijzers:

kelk, hoog 24 cm, einde achttiende eeuw; op de voet en de tegencuppa engelenkopjes en bladmotieven.   

             W.F. Hermans:

De kandelaars van 1722 zijn in Antwerpen vervaardigd.

Hermans maakte er twee bij in 1850; op de driezijdige voet zijn    lege ovalen omlijst door voluten en schelpmotieven te zien; de stam is onderaan vaasvormig en versierd met bladmotieven en draperieen, bovenaan balustervormig met bladmotief; de bobèche heeft bladmotieven en holle knorren.

ln hetzelfde jaar vervaardigde hij de twee wandarmen met een   verwant ornament.

             A.P. Hermans:

Kelk, hoog 28 cm, verguld zilver, 1874: geschulpte  voetrand; op de welving drie staande voluten met korenaren en druiven; tussen de voluten drie ingelaste reliefplaatjes met voorstellingen van het Laatste Avondmaal, de dood van Christus op Calvarië en Zijn graflegging; in de stam drie engelenkopjes; de tegencuppa heeft tussen aren en druiven gedreven medaillons waarin voorstellingen van Christus, Maria en Jozef.

             W. Manders:

Ampullen met blad, 1897. Op de ampullen gegraveerde wingerdbladeren en druiventrossen. Het ovale blad heeft twee insnoeringen waartussen een punt en in de spiegel een gegra- veerd kruisje en wingerdranken.

             H. van Gardinge:

Expositieciborie, hoog 54,5 cm, verguld zilver, 1884. Op de zeslobbige voet zijn reliefmedaillons bevestigd met voorstellingen van St.Jan, Evangelist, keizer Henricus, die een kerkmodel draagt, H.Johanna met een kruis (deze heiligen zijn vast en zeker de patronen van de schenkers), H.Antonius van Padua, H.Hubertus met een hert, dat het kruis in het gewei draagt, en de H.Theresia van Avila met een schrijfveer.

De zeszijdige stam heeft onderaan een manchet, is versierd met wingerdornamenten, heeft een ronde nodus met zes knoppen; de tegencuppa draagt arcaden waaronder druiven, aren en lisdodde; in de toren op het deksel staat een beeldje van de H.Petrus, geflankeerd door beeldjes van een koning (Lodewijk?) en van de H. Franciscus van Assisi; in de top een crucifix.

Tot zover het Eindhovens zilver.

Te vermelden zijn verder de mooie cylindermonstrans uit de zeventiende eeuw; de kelk te Luik vervaardigd in 1711; de kelk uit 1881 van George Wolf, in 1924 aan de kerk geschonken;

het wierookvat met scheepje dit 1818 van de Bossche zilversmid B.Rijke en het missaalbeslag van circa 1700.

Hoewel dit zelden in één parochie voorkomt, heeft Leende kandelaars uit de opeenvolgende eeuwen: de 16de, 17de, 18de en 19de eeuw.

(10)     Zie: Heemkronijk,  Jrg.13,  1974,  nr.3 en 4.

(11)     Th.J. Pels ('s-Hertogenbosch 1823-1896  Breda).

Opgeleid aan de Bossche Koninklijke School voor nuttige en beeldende kunst.  Woonde in Stratum tot 1851, te Eindhoven tot 1867, vertrekt dan naar Roermond en Breda.

Zie het artikel van P.Thoben, in de Katalogus  Naar gothieken kunstzin, 's-Hertogenbosch  1979, p.118.

Behalve de genoemde preekstoel-reliëfs te Leende, Best en Moergestel is weinig van zijn werk overgebleven. We weten wel, dat hij werkzaam was te Dommelen, Asten, Heeze, Riethoven en Knegsel.

(12)     Voor de geïnteresseerde lezer, die genoemde ateliers nader wil leren kennen, volgen hier enkele belangrijke werken:

             J. Beuijssen,  Boxmeer:

biechtstoelen (1842) te Den Dungen en te Waspik, met beelden van J.B.Peeters;

orgelkassen te Oirschot (1843) en te Someren (1857) (de kas, die hij in 1844 voor Geldrop vervaardigde is bij de bouw van de huidige kerk verdwenen);

biechtstoelen (1846) en preekstoel (1850) te Aarle-Rixtel;

beelden van de H.Cosmas en de H.Damianus en biechtstoelen te Groesbeek (1847);

orgelkas te Schijndel (1852);

preekstoel te Overschie (1858) met beeldhouwwerk van zijn zwager Corn.Pinsard;

preekstoel te Ewijk (1859);

orgelkas van het Groot Seminarie te Haaren (1867), die wordt overgebracht naar Den Dungen.

             Gebr. Smits, Cuyk:

van hen wordt een Rekeningboek bewaard in het Bisschoppelijk Museum van 's-Hertogenbosch met een grote lijst van uitgevoerde opdrachten;

beelden van Petrus en Paulus voor Beuningen (nu in de St.Martinuskerk te Eindhoven) (1848);

biechtstoelen te Ewijk (1850);

orgelkas te Afferden (1851).

             Gebr. Goossens,  's-Hertogenbosch:

beelden te Bokhoven (1846 en 1848);

hoogaltaar te Alphen a.d. Maas (ca.1855);

beelden en biechtstoelreliëfs te Diessen (1850-51);

preekstoel te Asten (1853-54);

biechtstoel te Heeswijk (l854);

biechtstoelen te Tilburg 't Goirke (1860-63);

 beelden van de H.Petrus en H.Paulus te Lage Mierde (1865).

Hun atelier wordt voortgezet door J.Goossens. Een door hem vervaardigd beeld van de H.Nicasius (1868) staat te Heeze.

             Hendrik v.d. Mark,  Oirschot:

Nog in Den Bosch wonend vervaardigde hij de orgelkas in de kapel van de zusters in de Choorstraat aldaar (circa 1845);

beelden aan de orgelkas te Oirschot (1848) en biechtstoelen te Erp (1856-58).  

 

             Van de individuele beeldhouwers Kluytmans zijn o.a. bekend:

             J.J. Kluytmans:  beeld van de H.Philomena (1847) nu in het Museum Kempenland; en misschien de beelden van Job te Enschot en te Helvoirt.

             J.M. Kluytmans: vier biechtstoelreliëfs (1854) in de St.Petruskerk te Uden.

(13)        Zie: de noten  (5) en  (9).

Ga terug