Het kazuifel van Heeze.

Heemkronijk jaar:1978, jaargang:17, nummer:4, blz.102 -120

H E T K A Z U I F E L V A N H E E Z E

door: Anton van Duinkerken.

Naaldwerk in gouddraad en zijde; bourgondische tijd of iets later; voorstellingen uit het leven van Maria; zeven taferelen met de geboorte van Christus als middelpunt; vervaardigd in zuidelijk Nederland; afkomstig uit het kasteel te Heeze in Noord-Brabant; thans bewaard in de dekenale kerk aldaar; na de tweede wereldoorlog zorgvuldig hersteld van de langdurige verslijting.

 

 

 

 

 

 

Dit zijn de nuchtere gegevens, die met historische zekerheid meegedeeld kunnen worden over het kazuifel te Heeze. Als de pastoor het draagt op hoogtijdagen, schittert het pas herstelde goud in de lichtschijn van lampen en kaarsen. Er kringelt wierook langs de kolom op de voorzijde met de drie herinneringsbeelden uit het leven van de heilige Maagd, voor zover dit aan de geboorte van haar Kind te Bethlehem voorafging; het tafereel van haar verloving met Sint Jozef, haar bezoek bij haar nicht Elisabeth en, daaronder, de boodschap van den engel. Er is wierook langs gekringeld in de zestiende eeuw, toen het gloednieuw was, we weten niet aan welk altaar. Daarna is het opgeborgen gebleven, we weten niet hoelang. Knielt de priester, dan plooit zich met de vouwen van het goud het latijnse kruis met de geschiedenis van de geboorte, de besnijdenis, de aanbidding door de koningen en de vlucht naar Egypte. Duizenden malen heeft het zich naar die vouwen geplooid. De misdienaar heeft de benedenrand voorzichtig opgeheven tijdens de elevatie van hostie en kelk. Dit is gebeurd in grote, feestelijke missen, als de klank van het orgel nog nadreunde door de stilte, die zich spande tussen opgeheven hoofden en verheven offergaven als een weefsel van vertrouwen. Het is wellicht gebeurd in kleine schuilruimten, waaruit zelfs op kerstdag geen zangstem zich hoorbaar mocht maken. Iedere plooiing, iedere rekking, iedere aanraking gaf aan het werk de verdoffende heugenis mee van aldoor verlopende tijd. Het goud begon te vlekken. De subtiele draden rafelden. De kleur verschoot. Uit de verte gezien, scheen de tekening van de figuren te vervagen in het stof van traag verschemerde eeuwen, als weken de beelden terug achter onpeilbare diepten van mensenverdriet. De tijd werkte mee om het kunstwerk eenzamer en geheimzinniger te maken. Over het hemelsblauw schoof een vlies van geschiedenisbruin; de kleine bogen van de fijngeweven steenbaldakijnen boven de hoofden van de heiligen vervloeiden tot mystieke meditatie-nesten, die zich als droomschelpen welfden over de eerbiedwaardigheid van voorbije tederheden. De werking van de borduurnaald in de hand verloor haar achterhaalbaarheid, zoals wanneer men door een waas van tranen kijkt.

Lang is die hand verdord in de aarde, pulver geworden in het slijk van winters en het korrelige zand van hete zomers, we weten niet waar. Was het een vrouwenhand, sneeuwblank, toen zij de naald leerde bewegen door het gevoelige weefsel; bruin en gerimpeld, toen ze voor het laatst de werktuigen opborg en het overschot van draden rangschikte in het vertrouwde kistje bij het vrouwelijk arbeidsgerei? De tijd werkt mee om ook de maakster van het kunstwerk eenzamer en geheimzinniger voor ons te doen opkomen uit haar lang verleden mijmeringen over het Maria-leven. Geen ander bericht over zichzelf liet zij ons na. Ten hoogste mogen wij met voorzichtigheid besluiten, dat zij bij het begin van haar langdurige arbeid zich niet zo vast geoefend heeft gevoeld als naderhand, toen zij het fijne spel van lijn en kleur beheerste, zorgeloos vertrouwend op haar uitdrukkingsvermogen.

Haar denken peilde weinig toekomst. Zij kende de voorstellingen, die zij afbeelden wilde, uit de gekleurde miniaturen van het getijdenboek, zich niet bewust, dat Luther haar tijdgenoot was, nog minder, dat de ontdekking van Amerika binnen haar levenstijd een wending gaf aan het beloop van de geschiedenis.

Naaldwerk is volgzaam. Het ontwerpt geen nieuwe stijl in de beeldende kunst. Het is geen voermiddel van woelige gedachten, die de maatschap- pij omwentelen. Het wordt geduldig uitgevoerd op bestelling van een lastgever, die voor kerkgebruik of wandversiering een bewonderens-waardig voorwerp begeert.

De scheppende persoonlijkheid van de vervaardiger dringt zich niet op aan de decoratieve wisseling van de gebruikte grondstof, noch aan de vormen van de dadelijk herkenbare gestalten. De gedachten, die de arbeid begeleiden, blijven praktisch en voorzichtig. Vrees voor een misgreep is groter dan experimenteerlust. Het beetje vrije zelfexpressie, dat bij dit soort werk te pas komt, houdt zich dienstbaar aan de voorschriften van het ambacht en aan het doel van het ontstaande voorwerp. Lof wordt gebracht aan de heilige Maagd en haar Kind in uurlijkse bezorgdheid voor het waardige van de figuratie en het gepaste van de kleuren-mengeling, maar hoger lof wordt niet verwacht dan de tevreden glimlach van de opdrachtgever. Eenmaal in gebruik genomen, krijgt het sieraad zijn eigen geschiedenis van kerk- of familiebezit. Voorzover er namen mee verbonden blijven in de documenten, zijn dit namen van schenkers of bezitters.

Afkomstig uit het kasteel heet het kazuifel van Heeze. Dit is alles, wat er over te vertellen valt. De rest moet worden aangevuld door de verbeeldingskracht van de toeschouwer. Hij mag zich tevreden stellen met het denkbeeld, dat een kasteelheer in de bourgondische tijd ergens een opdracht plaatste in een toenmaals bekend atelier om voor zijn huiskapel een werkstuk te bezitten, niet minder schitterend dan dat van zijn verwanten, die met trots hun flamboyante gouden kelken of op elke bladzijde rijk omtekende getijdenboeken toonden als bewijzen, dat hun hoge welstand niet geschaad had aan hun vroomheid. Zeker, een kostbaar kazuifel te kunnen voorhangen aan de ogen van gasten of bezoekers, is de aanwijsbare bedoeling van de oudste bezitter geweest. Misschien heeft hij het willen schenken aan een priester die hij kende, breed weldadig jegens de bedienaars van de kerk, of gemoedelijk ontroerd tijdens de priesterwijding van een eigen broer of zoon.

Het is mogelijk, dat verschillende handen gedeelten van het werkstuk maakten of voltooiden naar overgelegde voorbeelden van hoe het worden moest, kolom en kruis, met op de kolom de boodschap van de engel als voornaamste gebeurtenis-beeld en midden op het kruis, waar de dwarsbalk de staande balk snijdt, de stal van Bethlehem.

Dan toch blijft het ontwerp tot dit kazuifel een voortbrengsel van min of meer eigenaardig beleid, want het brengt niet de bekende zeven vreugden van de Moeder Gods in beeld, doch zeven taferelen uit haar levensgeschiedenis, alle verteld in de eerste hoofdstukken van het evangelie van Mattheus en van Lucas.

Centraal is de geboorte van Jesus. Voor het overige lijkt de volgorde van de bijbelse feiten ondergeschikt gemaakt aan een stelsel van samenhorigheid, dat verdroeg, het bezoek bij Elisabeth tussen de verloving en de aankondiging geplaatst te zien, gelijk de besnijdenis tussen de geboorte en de aanbidding door de koningen. Het hoofd-tafereel op de snijding van de kruisbalken verdeelt de vlucht naar Egypte in twee gebeurtenishelften, die de einden van de dwarsbalk vullen. Vooraan gaat Jozef, leider van het ezeltje waarop achteraan Maria, die met de rechterhand de teugel houdt, haar kindje in de linkerarm beschermt.

Deze samenstellingswijze mag gedeeltelijk zijn voorgeschreven door verlangens van het ambacht, toch moeten die voortkomstig zijn geweest uit vrome overweging. De afwisseling van de gestalten is op haar fraaist, nu midden in de kolom de twee staande vrouwenfiguren van Maria en Elisabeth verbinding leggen tussen het verlovingstafereel, waarop de staande figuren van Maria en Jozef door anderen worden omringd, èn het tafereel van de boodschap, waarop de engel zich neigt naar de knielende maagd. Zo is ook de besnijdenis-groep een onderbreking en verbinding tussen de twee gebeurtenissen in de stal.

Dat overwegingen van deze aard de schikking voor een deel bepaalden, laat zich bewijzen uit de houding van het kindje op de staande kruisbalk, waar het driemaal is afgebeeld, doch in afwisselende ligging; boven met het hoofd naar rechts, in het midden met het hoofd naar links en onderaan weer met het hoofd naar rechts. Zulke varianten bracht geen toeval aan, doch kundig overleg. Het geboorte-tafereel wordt verbeeld in een ruimte, die eerder aan de bouwval van een verwoeste woning doet denken dan aan een eigenlijke dierenstal of grot. Hierdoor dateert de voorstelling zichzelf enigszins als overeenkomstig met veel schilderijen uit de regeringstijd van keizer Karel de Vijfde en van kort daarvoor, toen werkelijk veel huizen op het platteland in puin waren geschoten tijdens de oorlogen van de laatste Bourgondiërs en zulke ruïnes waarschijnlijk als nacht-asiel voor dieren en zwervers werden gebruikt. De herders zijn nog niet aangekomen, maar tussen Maria en Jozef knielt in aanbidding een engel, terwijl de twee dieren zich afwenden naar voedsel in een stalhoek.

Uit het puin van de verbrokkelde muur komt, als door een vensteropening, een mannenhoofd te voorschijn, dat naar binnen kijkt met neergeslagen ogen. De aanwezigheid van dit ondergeschikte figuurtje laat zich gemakkelijk genoeg verklaren. Het zou alvast de eerste van een groepje herders kunnen zijn, gekomen om de belofte van de engel bevestigd te vinden, dat er geen reden tot vrees bestaat, "want heden is er voor u een bevrijder geboren en dit zal u ten teken zijn; gij zult een kindje vinden, dat in doeken gewikkeld werd neergelegd in een kribbe."

Maar de herders vormen gewoonlijk een groep. Het kindje is nog niet omwikkeld. In de stalhoek steekt de ezel zijn snuit in de terzij gezette voedseltrog, waar ook de os zijn kop heen richt. Deze kleine afwijkingen van het herdersverhaal uit het evangelie van Lucas geven ons te denken, dat de getuige van de geboorte, die tussen de muurbrokken door kijkt, een afzonderlijke gestalte moet zijn, eerder parochieherder dan schaapherder. Zijn haardracht met de neerhangende voorhoofdlokken levert hiervoor geen stellig bewijs, al is ze ons bekend van priester- en herenportretten uit het bourgondische tijdperk. Sluit om zijn hals een gouden spang de boorden van een dalmatiek of van een hoorse riddermantel? Die droegen herders zeker nooit! Is deze voorstelling dus een portret uit de jaren, waarin vervaardigers en schenkers van kunstwerken zichzelf met graagte zagen afgebeeld op een bescheiden bijplan van het hoofdtafereel?

 

Ontgoochelt het onze verbeelding, te vernemen, dat er in de late middeleeuwen hoofdzakelijk mannen werkzaam geweest zijn als naaldschilder of "acupictor", naar zij heten in de oude stukken? Deze "borduerwerckers", opgenomen in het stedelijk gilde van Sint Lucas te Mechelen, te Lier, te Brussel, te Antwerpen, te ‘s-Hertogenbosch, gedroegen zich niet als originele fantasten, die zich naar hartelust mochten uitleven in de grillige vondsten van hun persoonlijk voorstellingsvermogen, maar zij leverden binnen bepaalde termijn hun aangenomen bestellingen af volgens omschreven afspraak, die alles tot in kleinigheden regelde.

De zeldzame keer, dat een vrouw met name wordt aangeduid als naaldwerkster in overgeleverde kerkrekeningen, is zij geen kloosterzuster of begijn, maar: allernauwst vermaagschapt aan de burgelijke vakman, die verantwoordelijk bleef voor de levering van het werkstuk en hiervoor ook de betaling in ontvangst nam. Zo is er Elisabeth, zuster van de borduurwerker Paulus van Ietegem te Lier, die haar broer in 1461 hielp bij het uitvoeren van een opdracht, hem gegeven door de Norbertijnen van de abdij van Averbode. Willem van Orssagen kreeg van dezelfde paters het loon uitbetaald voor drie borduursels, door zijn echtgenote vervaardigd. Zelfs kloosterheren besteedden dus kerkewerk uit bij vakbekwame leken met maatschappelijke verantwoordelijkheid, gildebroeders van de grote Vlaamse primitieven, in groepsverbondenheid beschermd tegen beunhazerij en tegen ambachtsonderkruiping door onbetaalde of onderbetaalde arbeidskrachten.

Verdwijnt voor deze wetenschap onze romantische droom van de vereenzaamde kasteelbewoonster, die haar levensjaren in devotie sleet bij vlijtig handwerk, dat zij door geduldige oefening ontvankelijk had weten te maken voor alle spelingen van haar meditatieve geest: wij krijgen hier in ruil een leine kans voor, dat de man, die in de stal van de geboorte binnenkijkt, de opdrachtgever of misschien zelfs de kunstenaar voorstelt.

Soms lieten afgebeelde personen zich door hun naampatroon beschermen. Boven de ronde met de kerststal zweeft in de top van het kruis op de kazuifelrug een gevleugelde engel. Een enkele maal vinden wij bij bourgondische kazuifels op dezelfde plaats een wapen aangebracht. Hier lijkt het, of de engel van de boodschap, Gabriel, zich vergewist van de geboorte, die hij aan de voorzijde van het kazuifel aankondigt. Verbeeldt hij slechts de hemelse verbinding tussen het leven van Maria en onze zaligmaking door Christus?

Of houdt zijn aanwezigheid verband met de aardse getuige van de geboorte, die, grotendeels achter de stalmuur verborgen, ons zelfs zijn oogopslag niet gunt, verslonden als hij schijnt in heilige beschouwing? Komen wij even in de nabijheid van het vergane, nu wij de mogelijkheid beseffen, dat een ambachtsman, die opdracht kreeg tot de vervaardiging van een Mariakazuifel, zichzelf of zijn opdrachtgever onder het patronaat van de engel Gabriël uitbeeldde als toeschouwer door een muuropening van de geboortestal? Ze wordt geen zekerheid, deze geringe kans, maar ze helpt ons op weg uit de romantische kasteel-droom naar de historische werkelijkheid.

 

Het voorstellingspatroon vraagt niet allereerst om dichterlijke uitleg krachtens een buitentijdelijke inleving in de gevoelens, die een eenzame vrouw bij zichzelf opwekte, terwijl zij de gebeurtenissen van Maria's leven overdacht. Het is een tijdspatroon, verstaanbaar uit de samenleving, waarin het zijn taak voor het eerst heeft vervuld. Wie het met heel zijn ziel doorleven wil, moet de voorstellingsinhoud en de uitdrukkingsvorm zo helder trachten te begrijpen, als werd hij een tijdgenoot van de maker. Tevredenheid met vlotte indrukken op het hedendaagse gemoed is onvoldoende. Ze doet geen recht aan de zeggingskracht van de maker, die in dienstbare vormentaal tot een gemeenschap van gelijkgezinden sprak. "Het ware kunstwerk," - zo kan de genieter tegenwerpen - "overduurt met eeuwen zijn ontstaanstijd en ontroert ons door een standvastig stralende gemoedskracht.

Het onveranderlijke deel van onze ontvankelijkheid voor het schone wordt aangegrepen bij de eerste kennismaking met het echte kunstwerk en huivert dan van zaligheid. Hierop komt alle begrip van wetenswaardig-heden achteraf. Het schaadt soms meer aan ons oorspronkelijk genot dan het een zuivere waarneming bevordert!"Zie het verlovingstafereel met de ambtelijk geïnteresseerde hogepriester; de bijna weggedoken, toch oplettende getuigen; de bejaarde Jozef, steunend op een oudemannenstok, maar met een jeugdige vervoering op het opgericht gelaat; de gekroonde madonna, die een koningsmantel draagt voor bruidstooi en in devote berusting haar hand reikt aan de beschermer van haar ongereptheid, straks de voedstervader van haar kind. Het is een innig miniatuur, geweven om de ontmoeting van twee handen, waarboven de priester zegenend de zijne heft en met sacraal gebaar de stola gereedhoudt om de trouwbelofte te bezegelen.

Baat het ons veel, te weten, dat de bisschopsmijter van de hogepriester door een later opgelegd kazuifelboord gedeeltelijk is afgesneden, zoals bij vergelijking zichtbaar wordt, als wij in het Bisschoppelijk Museum te Haarlem hetzelfde tafereel bekijken op het Maria-kazuifel uit de kerk van Akersloot? Daar is de groepering van de vijf gestalten nauwkeurig dezelfde. Weer draagt Maria een bruidskroon, door een aureool omstraald; weer is zij met de koningsmantel omhangen; weer schort de linkerhand het plooiend kleed voorzichtig wat omhoog. Achter Maria staat als getuige een schuchtere vrouw, gelijk achter Jozef een toe- ziende man, wiens neerblik een besef van zijn gezag als getuige tot uitdrukking brengt.

Zo stellig is de voorstellingsgelijkheid op dit vermoedelijk enige jaren later vervaardigde naaldwerk te Haarlem, dat de gedachte aan een herkomst uit hetzelfde atelier zich opdringt. Wat zich op eerste aanblik liet bewonderen als ware het uniek door de raak getroffen typering van de vijf gestalten, blijkt even nauwgezet herhaald als een vraag en antwoord uit het godsdienst-lessenboek. Het wil niet in een algemeen stemmingsbeeld de verloving van Jozef en Maria te zien geven, maar het wil onderdeel na onderdeel bekeken zijn met gevoelige aandacht voor de betekenis van elk detail.

Het bericht méér dan de uitslag van een persoonlijke kunstenaarsdroom. Het is een overwegings-resultaat van vele kunstenaars-geslachten, voor- gelicht door evangeliepreek en geestelijke lezing. De naaldplastiek, aan miniatuurkunst verwant, verlucht de bijbeltekst met allerlei bijkomstig-heden, die voor een deel hun oorsprong vonden in de bijbelwoorden zelf, doch voor een groter deel in het ervaringsleven van de christenen. 

Hoe gepast het was, dat de heilige Maagd, alvorens haar kind ter wereld te brengen, zich zou verloven met Sint Jozef uit het huis van David, werd na Sint Bernard van Clairvaux door allerhande kerkelijke schrijvers aangetoond, telkens met rijker verscheidenheid van bewijsvoering. Het was gepast ten opzichte van Jesus, - van Maria zelf, - van Davids nakomelingschap en van ons. Maar zij werd maagdelijk moeder! - bleef een mogelijke tegenwerping van het redenerende verstand. Wat voor zin had dan haar huwelijk met Jozef? Anderzijds wordt de verloving met nadruk vermeld in de Heilige Schrift. Het kwam er dus op aan, voor de luisterbereide gemeenschap dit familiefeit te betrekken in de heilsgeschiedenis. "wil er soms iemand beweren, dat die verloving bij toeval tot stand kwam?" - vraagt Sint Bernardus aan zijn gehoor. En hij ontzenuwt deze mogelijkerwijs geopperde bewering met een omstandig uitgewerkt beroep op de vindingrijkheid van het goddelijke raadsbesluit. Ludolf van Saksen vulde deze bewijsvoering aan. Sint Thomas van Aquine gaf haar de kracht van een conveniëntie-betoog. Ze kreeg hiernaast de kleur van een legende, aldus bij Meester Dirc van Delf in onze taal verteld: “Toen Maria veertien jaar oud was, gaf haar de bisschop van de tempel verlof om terug naar huis te gaan met de maagden en in het huwelijk te treden, want alle vrouwen heetten gebenedijd, die een kind kregen, omdat hierdoor de vrucht bevorderd en verhaast werd, waarvan alle geslachten zegening zouden ontvangen. Toen antwoordde de maagd, dat zij zich aan God had toegewijd tot zijn eeuwige dienst en dat zij aan God de gelofte had afgelegd, haar maagdelijke zuiverheid te behouden, zodat zij dit niet mocht doen. Hierop geraakte de bisschop in verlegenheid. Hij riep God aan en vroeg als gunst, deze dingen te mogen begrijpen. Toen sprak er een stem: "Roep alle mannen bij elkaar, die uit de stam van David zijn geboren en een huwbare leeftijd hebben bereikt; laat ieder van hen een dorre tak meebrengen in de hand. Op wiens tak een witte duif zal komen zitten, die is de man om deze maagd voor vrouw te krijgen! " Dit bleek ten laatste te gebeuren bij de oude man Jozef, geboren uit het huis van David."

De hogepriester draagt het efod op de borst met de oerim en toemmi tussen de paramenten van een middeleeuwse bisschop. Dit wijst op een verweving van gedegen bijbelkennis met liturgische levenservaring, gelijk die eigen was, als nooit meer aan een latere generatie van de christenheid, aan de gelovigen uit het bourgondische tijdperk. Bruidskroon en koninginnemantel zinspelen ongetwijfeld op de uitverkiezing van Maria tot vorstin der hemelen, maar brengen ons meteen te binnen, dat het bruidskleed in de burgerklassen zijn model vond bij het praalgewaad uit adelskringen, toen door de opkomst van de steden ambachtsvolk de toon had leren voeren, die was aangegeven door de heerlijkheid op de kastelen.

Jozef schijnt wereldvreemde pelgrim en opgetogen vereerder tegelijk. Hij ziet er uit als iemand, die op dit eigen moment het doel van zijn levensreis met een geestdriftige verwondering bereikte.

Oorspronkelijke meditatiekracht was nog het algemene zielsbezit van de bevolking, die in beelden zag wat zij uit woorden kende. Wel was de boekdrukkunst reeds uitgevonden, toen de vervaardiger van dit kazuifel de bestellingsbrief las en zijn rekening uitschreef, maar de volkscultuur bleef stelliger visueel dan literair. Achter haar beeldkracht is het tekstbestand over de voorgestelde personen een levend geheugenbezit van maker en bewonderaar. Dit werd gevoed en onderhouden door de werkelijkheid van het leven. Alles, wat zich voltrekt onder de kunstig opgestelde arcaturen, die het verheven verloop van de voorgestelde feiten suggereren, werd onmiddellijk doorschouwd als persoonlijk levensgebeurtenis met het bijkarakter van kerkplechtigheid. Het hoort thuis in een straalkapel, hoewel het waargenomen schijnt in een woonvertrek. Het draagt de geestelijke waarde van een heilsfeit in het stoffelijke voorkomen van een ervaringsweerslag. Zoals Jozef en Maria aan elkander trouw beloven voor de priester, die hun huwelijk inzegent, zo werd werkelijk het sacrament van de vereniging bij allen, die het sloten, in die tijden ingewijd. Het wisselspel van heiligheid met alledaagsheid waarborgde zo veel eerbiedwaardige overeenkomst met ieders levensondervinding, dat elke kans op misverstand werd uitgesloten. Wat om de mensen heen voorviel, gaf hun gelegenheid om dieper door te dringen tot Gods openbaring. Hier wordt getrouwd! - Wie zijn het? - Jozef en Maria!

Bij zulk een grondbeginsel borgt de levenswerkelijkheid godsdienstige symboolkracht, waardoor elk onderdeel van de voorstelling zich even duidelijk laat begrijpen als wanneer het in lettertekens opgehelderd zou geweest zijn. Aanschouwelijkheid van figuratie was voor het oog nog een sprekende volkstaal. Dit wil zeggen, dat het naaldwerk voor de tijdgenoot het grootste deel van zijn kunstwaarde danken moest aan zijn verstaanbaarheid als communicatiemiddel. De beschouwer van heden leest over de feitelijke berichten heen, op zoek naar een belijdenis van eigenaardige gemoedstoestanden bij de maker. Hij wil het individuele blootleggen onder het stereotiepe, zoals hij de stemklank wil vernemen uit geschreven woorden. Alleen persoonlijke bekendheid met de spreek- wijze van de afzender verzekert aan lezers van brieven of drukwerk dit voorrecht.

Toch kijkt en keurt elk tijdvak met zijn eigen ogen. Wij zonderen het aangrijpende af uit het vergaande en kennen onvergankelijkheid toe aan hetgeen ons diep treft, omdat wij hierin iets van onze eigen eeuwigheid beleven. Wij vragen van de kunst, dat zij ons de schok zal geven, die ons wegrukt uit de voortgang van elkaar verslindende minuten. Wij willen de verrukking voelen van het altijd stilstaand ogenblik. Hierom vestigt onze aandacht zich op meesterwerken, die wij zo noemen omdat hun maker de vluchtigheid van de voorbijgaande tijd overmeesterde. De grote meesters zijn onsterfelijk in onze achting, want hun werken treffen ons in een diepere laag van ons menselijk wezen dan het ervaringsgebied, dat door onze praktische dagenbeleving beroerd wordt.

Maria bezoekt haar nicht Elisabeth, die de geboorte verwacht van Joan- nes de Doper. "Toen Elisabeth de groet van Maria vernam, sprong het kind op in haar schoot en werd Elisabeth van de Heilige Geest vervuld. Met luider stemme hief zij aan; gij zijt de gezegende onder de vrouwen en gezegend is de vrucht van uw schoot!" Hierop dichtte Maria het magnificat. De dubbele werking van heilsbelofte en gemoedsontroering doortrilt de toeschouwer, die als gelovige het evangelie kent, maar als deelnemer aan het maatschappelijke leven zich de geluksstaat voor de geest kan halen van het wonderbaar bevruchte meisje, dat een oudere nicht in dezelfde positie ontmoet.

Op het kazuifel van Heeze onderscheidt een geoefende kijker de baardige bejaardheid van de nicht Elisabeth, wier zwangerschap haar eigen man met stomheid sloeg.

Nog draagt de maagd de koninginnemantel van haar verlovingsfeest; ze schort opnieuw de brede plooirok op, maar haar gelaatsuitdrukking schijnt verkinderlijkt in argeloos verwachten van de kerstnacht.

Binnen de sfeer van de begroeting schiet een zonderlinge plant in bloei. Het kon een twijg zijn van de Jesseboom, opdat in vervulling zou gaan wat voorspeld was: "Er zal een twijg ontspruiten aan de stam van Jesse, er zal een bloem ontkiemen uit de twijgtop." In het borduursel van de boodschap waren kleine vreugdebloemen meegeweven, want hier werd het Lam aangekondigd, dat tussen de leliën weidt. Gelijk op het kruis van de rughelft driemaal het kindje centraal is, zo zijn op de kolom aan de voorkant van het kazuifel driemaal de handen tot middelpunt gemaakt. Jozef reikt de trouwring aan Maria; de nicht Elisabeth reikt haar de rechterhand tot vertrouwelijke begroeting; de engel Gabriël draagt bijna zichtbaar de hemelse boodschap, die door Maria's handgebaar ootmoedig wordt aanvaard; "ik ben de dienstmaagd, mij geschiede."

Kolom en kruis zijn zinnetekens van geloof en van verlossing. Voor zuil van herculische sterkte staat in de christelijke symboliek de geselkolom opgericht, waaraan de Verlosser geboeid werd. "Ze gingen de bergen niet in, doch bonden Achior met handen en voeten aan een boom, lieten hem daar met touwen gebonden zo achter en keerden terug naar hun bevelvoerder," zegt het boek Judith over de krijgsknechten van de heidense reus Holofernes. Voor middeleeuwse gelovigen, die de vooraf- beeldingen van onze zaligmaking grondig uit de bijbelboeken kenden - beter dan menig christen van vandaag het evangelie kent! - gold deze kneveling van Achior als het prototype van de gebondenheid der christenen aan de geloofstrouw. Handen bevestigen de gelofte, begroeten de gekomene, aanvaarden de boodschap, vrij als ze zijn voor elke beweging, ofschoon van de zuil van ons lichaam onafscheidelijk levend. Over de kracht van de handen beslist de vastheid van de lijfskolom.

Op het kruis triomfeert het vlees van onze vergankelijkheid over de dood van de ziel. Hier worden alle handen teruggehouden in bescheiden dienstbetoon jegens het lichaam van Christus. Ze zijn gevouwen in aanbidding, offeren geschenken of voltrekken de besnijdenis. Die van het kindje meegerekend, zijn er twee-en-dertig handen geborduurd op de rugzijde van het kazuifel te Heeze tegenover twaalf op de voorkant. Maar hoeveel minder aandacht vorderen zij op! De telling lijkt een heiligschennis uit nieuwsgierigheid aan mensen, die bij hun impressie van het hele kunstwerk zozeer in vervoering raken, dat zij niet meer kunnen denken aan gepietepeuter. Dit betekent, dat hun meegevoel met de kunstenaar ophoudt, waar diens geduld de trefkans overweegt van elke naaldsteek. 

Bij de besnijdenis staan, Jozef uitgezonderd, vier getuigen, blijkbaar twee mannen middenin, twee vrouwen aan de buitenkant. Kijkt ieder tijdvak met zijn eigen ogen, dan wordt om deze reden tegenwoordig onze belangstelling stevig geboeid door zulke naamloze figuren, vertegenwoordigers van het gewone volk.

Ze waren vroeger niet zo scherp waarneembaar, doch vormden schijnbaar met Sint Jozef een decoratieve afsluitingshaag van vijf toeschouwers achter de boog, waarmee de hoofden van Maria en de priester zich toegewijd welven over het kindje, dat nu volgens voorzegging van de engel, de naam Jezus ontvangt. "Sephora nam een scherpe steen en sneed de voorhuid van haar zoon af. Zij raakte daarmee de voeten van Mozes aan en sprak: een bloedige bruidegom zijt gij voor mij!"

De besnijdenis en de naamgeving lijfden het kind in bij het volk. Dit kind werd de bloedbruidegom van synagoge en kerk, zodat het aan de zijde van Jozef en Maria twee joodse "susceptores" kreeg, maar aan de priesterkant twee christelijke tijdgenoten van de borduurwerker. Ons oog kan weer kunstmatig kijken, gelijk het oog, dat nog maar nauwelijks aan boekdrukkunst gewend was. Door lenzen bespieden wij de Moeder, met haar kindje vluchtend naar Egypte, als konden wij onder haar brabantse hoofdkap de vochtigheid zien van haar ogen. Geen mens leeft zonder zelfbedrog. Hoe dichter wij menen te naderen tot het origineel, hoe vaster wij ons verwarren in onafschuddelijke eigentijdelijkheid. Het kazuifel van Heeze vangt zonlicht op goud en verdoft in de schemerstilte van de sacristie.

Het gehoorzaamt als wij aan de tijd. Het rebelleert als wij tegen die noodgedwongen horigheid. Overgeleverd als een stuk uit de geschiedenis, bewaart het, weerbarstig tegen onze weetlust, het gemoedsgeheim van de betrokkenen uit achter ons voorbijgegane eeuwen. De wezenlijke schoonheid van een voorwerp schijnt zich zegevierend los te maken van het verlangen naar zijn ontstaan, het geduld bij zijn vervaardiging en het oordeel van wie het voor de eerste maal in ontvangst namen, zagen en vertoonden. Het ontleent aan die vergankelijke warmte van gemoed een kracht tot duurzaamheid. Eens, ergens, diep in het verleden, trilde voor het eerst ontroering, toen iemand las, hoe zich Maria verloofde met Jozef en God zijn engel zond naar Nazareth in Galilea.

"Het viel een hemels dauwe op een jonc maechdelijn". Dit is de boodschap van het kazuifel te Heeze.

Wij trachten deze boodschap te verstaan met onze middelen. Ze raakt er niet door uitgeput. Voor ieder mensengeslacht is er gerechtigheid in de wolken en hemelse dauw in de hoge.

Naaldwerk in gouddraad en zijde; bourgondische tijd of iets later ......

 

Ga terug