De kuipzoolleerlooierij in Leende.

Heemkronijk jaar:1976, jaargang:15, nummer:1, blz.2 -3 

DE KUIPZOOLLEERLOOIERIJ IN LEENDE

door: A.A. van der Zanden

Het oude ambacht leerlooien werd vroeger in Leende veelvuldig uitgeoefend. Er waren meerdere leerlooierijen, maar wij beperken ons tot een uitvoerige beschrijving van de kuipzoolleerlooierij die in 1872 door de firma A. van Engelen In Leende werd gevestigd. Janus van Engelen had het vak geleerd bij leerlooiers in de omgeving van Leende en ook in Duitsland.

Lambert van Engelen, die het bedrijf van zijn vader zestig jaren mede heeft beheerd, en Jac Vlaminkx hebben mij veel over hun ambacht kunnen vertellen.

De huiden voor de looierij  kwamen uit tropische gebieden zoals Afrika en Zuid Amerika. De huiden waren bij verzending al provisorisch gezouten. Het gewicht van een huid bedroeg ongeveer dertig kilo. Nadat de huiden in de havens van Antwerpen of Rotterdam waren gearriveerd werden ze meestal door Peer van Asten met de vrachtwagen opgehaald. Bij aankomst in Leende werden ze dan met paard en kar naar de Aa gebracht ter hoogte van de brug aan de Maarheezerweg. Gewoonlijk gebeurde dat door de buren van de looier: Dorus en Piet van der Linden, Jan van der Zanden en Peer van Asten. In de begintijd werd dat karwei nog met de hondekar uitgevoerd.

Aan weerszijden van de Aa stonden paaltjes waaraan de huiden bij het halsgedeelte met een touw werden vastgemaakt. Zo kwamen ze naast elkaar in het stromende water te liggen en moesten dan drie maal per dag worden gekeerd zodat het zout er goed uit kon trekken. Dit gebeurde steeds in de winter. De arbeiders moesten daarvoor in het ijskoude water gaan staan. Aanvankelijk droegen ze daarbij klomplaarzen die later werden vervangen voor de veel betere waterdichte rubberlaarzen. Na zeven dagen in het water gelegen te hebben, werden de huiden naar de looierij gebracht en over elkaar, met de haren naar boven, op houten bokken gehangen. Daar werden ze in het zogenaamde smarthok geplaatst, waar de huiden door de druk moesten Iosbroeien. Af en toe werden de huiden van elkaar gehaald en aan de haarkant nat gegoten. Na plus minus veertien dagen werden ze over een houten balk gehangen en met kromme, onscherpe messen en wat zand werden ze deel voor deel onthaard en vervolgens weer enkele dagen in de Aa gehangen. Daarna werden ze in de looierij met scherpe messen ontvleesd en de nog resterende haren er af gehaald, en voor de derde keer enkele dagen in de Aa gelegd. De volgende fase in het looiproces bestond uit het één voor één zouten van de huiden om bederf tegen te gaan.

Op het ruggedeelte, dat het dikst was, werd het minst gestrooid; hals, kop en flanken, die dunner waren en dus eerder aan bederf onderhevig, kregen meer zout. In stapels van zo'n dertig huiden bleven ze dan ongeveer een maand liggen en vervolgens voor de laatste maal weer enkele dagen naar de Aa gebracht.

Daarna werden ze in stenen bakken gelaafd. Dit wil zeggen dat de huiden nu aan dikke stokken in de bakken werden gehangen die gevuld waren met water en run-extract. Run is gemalen eikenschors. Die schors werd in grote bussels van dertig kilo ingevoerd. De beste soort, met het meeste looizuur, kwam uit Frankrijk; uit Luxemburg en Gelderland kwamen minder goede soorten. Na aankomst werden de grote stukken klein gehakt en door de molenaars van Leende of Heeze tot run gemalen. In later tijd beschikte de looierij over een eigen molen. 

Na al die behandelingen volgt dan het eigenlijke looien. In grote looikuipen die een beetje boven de rand in de grond waren aangebracht, werden de huiden één voor één bestrooid met een laagje run en op elkaar gestapeld. Dit was echt vakmanswerk. Een goed vakman wist precies of hij, al naar gelang het dikke of dunne gedeelte van de huid, veel of weinig run moest strooien. Af en toe werden de huiden uit de looikuipen gehaald waarbij de oude run er af werd geschut en weer nieuwe er op gestrooid.

De tussenpozen werden steeds langer tot ze tenslotte een half jaar lang in de looikuip bleven liggen. Het werken met run was een zeer stoffige bezigheid. De afgewerkte run werd door tuinders als broeimiddel gebruikt.

Dan werden de huiden op de droogzolder over gladde palen gehangen, om daar gedurende ongeveer zestien dagen langzaam te drogen. Om de twee dagen werden ze verhangen om het droogproces te bevorderen. De volgende behandeling bestond uit het afborstelen van de run waarna de huiden werden gewalst. Het doorgeven van de huiden van en naar de droogzolder gebeurde vroeger door middel van handreiking maar later kon men daarbij over een lier beschikken.

Hiermee was het looiproces ten einde en het leder gereed om verkocht te worden.

Het beste leer kwam van het ruggedeelte van de huid, waarvan de twee grote stukken croupons werden genoemd; dan de hals met de kop en de zijkanten, ook wel flanken of liezen genoemd.

De croupons werden gestanst, dat wil zeggen op schoenzoolmaat gesneden. De andere delen werden voor binnenzolen en andere lederen artikelen gebruikt.

In Waalwijk bevindt zich het oudheidkundig Schoen- en Ledermuseum, waar onder meer de gereedschappen te zien zijn die bij het looien werden gebruikt.

Uit deze beschrijving blijkt dat toentertijd voor een stukje zoolleer langdurige en zware arbeid verricht moest worden.

 

Noot van de Redaktie.

Door bovenstaand verhaal van mejuffrouw Van der Zanden hebben wij een indruk gekregen van het ambachtelijke leerlooien zoals dat vroeger in Leende werd beoefend. Ook dit ambacht heeft, als zo vele andere, plaats moeten maken voor een meer industriële aanpak. Op de vele ambachtmarkten die her en der in onze streek worden gehouden zal men nooit een leerlooier aantreffen. Dat is overigens heel begrijpelijk. Maar daarom is een verhaal als dit juist zo interessant en waardevol.

Wij zijn benieuwd wie het volgende vergeten ambacht zal beschrijven.

Leende en Heeze kenden vroeger verschillende leerlooierijen waarover weinig of niets bekend is.

Wie durft het aan om die geschiedenis eens uit te pluizen?

Ga terug